Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Alpenkauw
Alpenkauw | Pyrrhocorax graculus
Alpine chough | Chova piquigualda
De alpenkauw is de vogel van de bergstations. Waar in de Alpen een kabelbaan aankomt of een berghut een terras heeft, zit binnen een kwartier een troep zwarte vogels met korte gele snavels op de reling te wachten. Het is de zangvogel die het hoogst broedt: er is een nest bekend op ruim 6500 meter, en boven de Himalaya volgen troepen klimmers tot in de ijle lucht. Wie hem eenmaal langs een wand heeft zien vallen en weer opklimmen, kijkt anders naar kraaiachtigen.
Geluid
Niet krassend maar helder en bijna muzikaal, en daarmee de snelste manier om hem van de andere bergkraaien te scheiden. De gewone contactroep is een rollend, iets rispend priep; daarnaast klinkt een langgerekt, fluitend en dalend swieee-oo dat over een hele bergketel draagt. Bij onrust een rollend tsjurr. Een foeragerende troep praat aanhoudend zacht door elkaar, en boven een berghut zwelt dat aan tot een hoog, opgewekt gekwetter dat je bij een kraaiachtige niet verwacht.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groter dan een kauw en duidelijk kleiner dan een zwarte kraai, geheel zwart met een zwakke glans en twee kleuraccenten die van ver opvallen: een korte, iets gebogen, helder gele snavel en koraalrode poten. Het silhouet is opvallend langgerekt. In rust steekt de staart ver voorbij de gevouwen vleugelpunten uit, waardoor de vogel bij het lopen bijna te lang voor zichzelf oogt. In de vlucht zijn de vleugels betrekkelijk smal en aan het uiteinde maar ondiep gevingerd, en is de staart lang met een licht afgeronde punt. Jonge vogels hebben een doffere, vuilgele snavel en donkere poten die pas in de loop van hun eerste jaar rood worden. Alles aan de vlucht is spel: een troep laat zich langs een wand vallen, klimt op de opstijgende lucht weer omhoog en buitelt daarbij om elkaar heen.
Verwarringssoorten
De alpenkraai deelt dezelfde bergen en zit vaak in dezelfde troep, en op afstand hangt de determinatie aan de snavel en aan de vleugelvorm. De alpenkauw heeft een korte gele snavel, de alpenkraai een lange, dunne, duidelijk naar beneden gebogen rode. Jonge alpenkraaien hebben een dof oranje snavel, maar die blijft lang en gebogen, en hun poten zijn roze in plaats van koraalrood. In de vlucht is de alpenkauw de slankere: smalle vleugels met een ondiepe vingering en een lange staart die voorbij de vleugelpunten uitsteekt. De alpenkraai heeft brede vleugels met diep gespreide handpennen en een korte, recht afgesneden staart, en oogt daardoor gedrongen en breed. Op geluid vallen ze meteen uiteen: een rollend priep en een fluitend, dalend swieee-oo tegenover een luid, ver dragend tsjaow. De kauw is kleiner en gedrongener, heeft een grijze nek, een lichtgrijs oog en een donkere snavel, en zit lager in de dalen bij dorpen en kerktorens. De zwarte kraai is fors groter en zwaarder, met een dikke zwarte snavel, een donker oog en trage, gelijkmatige vleugelslagen.
Leefgebied
Rotswanden, kloven en rotsplateaus tussen ruwweg 1300 en 2900 meter in Europa, met het nest diep in een spleet of grot. Foerageert op alpiene graslanden en op puinhellingen, waar hij insecten, larven en slakken uit de korte zode en tussen de stenen haalt, en in de nazomer op bessen. In de winter zakt hij naar de dalen en hangt hij rond bij skistations, bergrestaurants, parkeerplaatsen en dorpen, waar hij van etensresten leeft; dat is geen toevallige bijkomstigheid maar een vast en jaarlijks terugkerend deel van zijn bestaan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een gebroken lint van bergketens: Cantabrisch gebergte en Pyreneeën, de Alpen, de Apennijnen, Corsica, de Karpaten, de Balkangebergten en Griekenland, Kreta, Turkije, de Kaukasus en Libanon, plus de Atlas in Marokko. Vanaf daar loopt het areaal door over Centraal-Azië en de Himalaya tot in westelijk China, dus ver buiten Europa. De soort is standvogel en verplaatst zich vrijwel alleen in de hoogte. In de Lage Landen komt hij niet voor; de dichtstbijzijnde vogels zitten in de Alpen. In Spanje blijft hij beperkt tot het noorden, van het Cantabrisch gebergte tot de Pyreneeën.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het makkelijkst boven aan een kabelbaan of bij een berghut vanaf ongeveer 2000 meter: ga zitten, wacht, en de troep komt naar het terras. Mooier is een uur bij een steile wand op een winderige dag, wanneer tientallen vogels langs de rots duiken en weer opklimmen. In de winter zijn skistations en de parkeerplaatsen ervoor de zekerste plek. Kijk in een gemengde troep altijd eerst naar de snavels: geel en kort, of rood, lang en gebogen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over het hele areaal stabiel. De soort is voor haar voedsel gebonden aan kort begraasde alpenweiden, en waar de zomerbeweiding verdwijnt en de zode dichtgroeit met struiken verliest zij foerageergebied. Daar staat tegenover dat het toerisme in de bergen haar juist voedsel oplevert, wat de winteroverleving lokaal verbetert. Op de lange termijn is de opwarming het grootste vraagteken: haar leefgebied kan alleen nog hogerop uitwijken, en boven de kam houdt de berg op.



