Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Brilzee-eend
Brilzee-eend
Melanitta perspicillata | Surf scoter | Negrón careto
De meest gezochte zee-eend van de Noordoost-Atlantische kust, en de enige Amerikaanse dwaalgast in deze groep die je met enige regelmaat kunt vinden. Het mannetje heeft een kolossale, oranjerood en wit getekende snavel en twee witte vlekken op een verder pikzwarte kop. Bijna altijd zit hij tussen zwarte of grote zee-eenden, wat het vinden een kwestie maakt van vlot voor vlot afwerken.
Geluid
In Europa vrijwel altijd zwijgzaam. Baltsende mannetjes geven een laag, gorgelend geluid en een droog, ploppend puk-puk; vrouwtjes een hard, kraaiachtig kraah. Beide zijn in de winterkwartieren zelden te horen. Voor het zoeken is juist het negatieve kenmerk bruikbaar: als een vlot zwarte zee-eenden op een windstille avond in koor het lange fluitende pjuu laat horen, doet de brilzee-eend daar niet aan mee.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Forse zee-eend met een opvallend groot, wigvormig kop-snavelprofiel: het voorhoofd loopt zonder knik door in een diepe, brede snavel, waardoor de kop topzwaar en hoekig oogt. Adult mannetje: geheel zwart, met een witte vlek op het voorhoofd en een grotere witte vlek in de nek, en een snavel die oranje, rood, geel en wit is met een grote zwarte ronde vlek op de basis. Poten oranjerood. Vrouwtje en onvolwassen vogel: donkerbruin met twee vale vlekken op de kopzijde, een voor het oog en een op de oorstreek, en vaak ook een vage lichte nekvlek. De snavel is dan grijs, bij jonge mannetjes met opkomend oranje. In geen enkel kleed is er wit in de vleugel.
Verwarringssoorten
Dit is de lastigste vergelijking van de hele gids. Tegenover de grote zee-eend beslist het ontbreken van wit: de grote zee-eend toont in elk kleed een wit armpenveld, de brilzee-eend nooit. Blijf dus wachten tot de vogel wiekt, zich uitrekt of opvliegt. Tegenover de zwarte zee-eend beslist de vorm: de zwarte zee-eend heeft een ronde kop met een kort snaveltje en een zwarte knobbel met een geel vlekje, de brilzee-eend een lang aflopend voorhoofd dat naadloos overgaat in een zware snavel. De witte nekvlek van het mannetje is op grote afstand het bruikbaarst, want die licht op zodra de vogel de kop draait of duikt; de voorhoofdsvlek is kleiner en gaat vaak schuil achter een golf. Bij vrouwtjes en onvolwassen vogels zijn de twee vale wangvlekken ronder en scherper begrensd dan bij de grote zee-eend, en zit er vaak nog een lichte nekvlek bij die de grote zee-eend mist. Adulte mannetjes zijn in Europa in elk seizoen te doen; vrouwtjes en eerstejaars vogels zijn determineerbaar, maar alleen bij goed licht en op korte afstand, en alleen als je kopvorm én vleugel hebt gezien.
Leefgebied
Ondiepe kustzee, meestal binnen een paar kilometer uit de kust boven schelpdierbanken op zand- en slibbodem, en boven ondiepe rotsbodem met mosselen. Vaak in baaien, voor pieren en havenmonden en in de stroom bij zeegaten, en altijd zwemmend of duikend, niet op het strand. Broedt aan boreale meren en poelen in Canada en Alaska; in Europa is de soort alleen als zeevogel te zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord-Amerika, overwinterend langs de Amerikaanse Atlantische en Pacifische kust. In Groot-Brittannië en Ierland is het een schaarse maar jaarlijkse gast: er zitten in een gemiddelde winter enkele tientallen vogels, met de Firth of Forth bij Musselburgh en de Aberdeenshire-kust bij Blackdog als vaste plekken, en met Ierse zwaartepunten in Donegal en Kerry. De soort staat er niet meer als landelijke zeldzaamheid te boek. In Nederland ligt dat anders: de CDNA beoordeelt de soort nog steeds en heeft zesendertig gevallen aanvaard, samen goed voor ruim veertig vogels, waarvan het eerste op 8 november 1914 en verreweg de meeste sinds 2000. In Spanje zijn tot 2004 vijftien gevallen gehomologeerd, het eerste in 1983, vrijwel allemaal jonge vogels aan de noordkust en met name in Galicië.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek vanaf een kop, pier of hoge duinvoet en werk systematisch de ruiende en overwinterende vlotten af, liefst bij vlak water en met de zon in de rug. September en oktober zijn goed, omdat er dan grote ruigroepen liggen die dicht bij elkaar blijven. Let niet op zwart, maar op vorm: een kop die te groot lijkt voor de eend eromheen. Controleer daarna elke keer dat de vogel duikt of poetst op de witte nekvlek, en wacht op het wieken om wit in de vleugel uit te sluiten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Noord-Amerikaanse aantallen zijn sinds het midden van de vorige eeuw sterk teruggelopen. Olievervuiling in de overwinteringsgebieden, achteruitgang van mossel- en schelpdierbanken, bijvangst in staande netten en verstoring van ruiende groepen zijn de belangrijkste knelpunten. Voor het Europese voorkomen speelt dat nauwelijks een rol; hier gaat het om losse vogels, geen populatie.


