Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Bruinkopmees
Bruinkopmees | Poecile cinctus
Grey-headed chickadee | Carbonero lapón
De bruinkopmees is de mees van de taiga. Hij houdt het uit in het oude naaldbos van Lapland en Siberië, blijft er de hele winter en teert dan op honderden zelf verstopte zaden en insecten. Wie hem in Europa wil zien moet naar het hoge noorden, en zelfs daar is hij in dertig jaar een stuk lastiger te vinden geworden.
Geluid
De roep is de traagste en diepste van alle Europese mezen: een zwaar, gerekt, nasaal tsjèèh-tsjèèh-tsjèèh, meestal ingeleid door twee of drie dunne, hoge tikjes — samen tsi-tsi-tsjèèh-tsjèèh-tsjèèh. Naast de matkop, die zelf al traag en klaaglijk klinkt, is de bruinkopmees nog een tandje lager, breder en meer uitgesponnen; het geluid draagt ver over een stil, besneeuwd bos en is vaak het enige teken dat er iets leeft. De zang is een reeks langzame, heldere fluittonen die licht dalen, tjuu-tjuu-tjuu, kort en zonder opsmuk, en wordt vooral in maart en april gehoord.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een forse mees met een naar verhouding lange staart en losse, donzige bevedering, waardoor hij in de kou bijna bolrond oogt. De pet is niet zwart maar dof donkerbruin en loopt ver door in de nek: een lange, bruine kap zonder enige glans. Het bibje is groot en roetzwart, met een rafelige ondergrens die uitloopt over de bovenborst — duidelijk forser dan bij matkop of glanskop, en op een zittende vogel het eerste wat opvalt. De wangen zijn zuiver wit en beslaan een groot vlak dat tot ver in de halszijden reikt. De sterkste kleur zit in de flanken en de onderstaartdekveren: warm roestbruin tot kaneelkleurig, verzadigder dan bij welke andere Europese mees ook. De bovendelen zijn grijsbruin, de armpennen hebben bleke randen die een vaag licht paneel geven. De snavel is kort en stevig.
Verwarringssoorten
Matkop en glanskop — zie ook hun eigen soortpagina's, waar het onderscheid tussen die twee van dichtbij staat uitgewerkt. Binnen het Europese areaal van de bruinkopmees speelt eigenlijk alleen de matkop mee; de glanskop komt in Lapland niet voor en de vergelijking blijft daar theorie. Tegenover de matkop is de bruinkopmees groter en langer van staart, is zijn pet bruin in plaats van dofzwart en loopt die verder door in de nek, is het bibje groter en dieper, en zijn de flanken echt roestbruin waar de matkop hooguit warm beige is. De glanskop verschilt op alle punten nog scherper: glanzend blauwzwarte pet met een rechte grens, klein en netjes begrensd bibje, en niets van dat kaneel op de flanken. Bij twijfel in het noorden geldt: als de vogel groot oogt, een bruine kap draagt en roestbruine flanken heeft, is het een bruinkopmees; laat hij zich horen, dan is er geen twijfel meer.
Leefgebied
Oud, open naaldbos van de noordelijke taiga: sparren- en dennenbos met veel staand dood hout, doorschoten met berk, aan de randen van venen en langs rivier- en beekdalen. Ook het berkenbos van de boomgrens en de wilgen- en berkenstruwelen langs het water horen erbij; belangrijk is niet de boomsoort maar de ouderdom van het bos en de voorraad zachte, rottende stammen. De nestholte hakt hij zelf uit of vergroot hij in zacht rot berken- of wilgenhout; in Fins Lapland neemt hij plaatselijk ook nestkasten aan. In het najaar legt hij grote voorraden aan in schorsspleten en tussen naalden, en daarop overleeft hij de poolwinter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Noors, Zweeds en Fins Lapland en het Kola-schiereiland oostwaarts door heel Siberië tot Kamtsjatka, en over de Beringstraat tot in Alaska en Noordwest-Canada — een van de weinige zangvogels die op beide continenten broedt. Het Europese deel is daarvan maar een hoekje: ten zuiden van de poolcirkel ontbreekt hij vrijwel geheel. Nederlandse vogelaars moeten hem in Lapland zoeken; hier is hij niet te verwachten, want de soort is uitgesproken honkvast en zwerft nauwelijks. Ook binnen Lapland verplaatsen de paren zich vrijwel niet en blijven ze het hele jaar in hetzelfde stuk bos.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de winter. Van december tot maart komt de bruinkopmees in Fins Lapland op voederplaatsen af — de bekendste is die bij Kaamanen tussen Ivalo en Utsjoki, waar hij samen met matkop, kuifmees en taigagaai op het vet zit. In de zomer is hij veel lastiger: loop dan vroeg in de ochtend door oud dennenbos met dode staande stammen, blijf staan en luister of er tussen de gewone mezengeluiden een traag, laag tsjèèh-tsjèèh zit. Fluiten of geluid afspelen werkt slecht; geduld en stilte werken beter. Kijk daarna naar de bruine kap, het grote bibje en de roestbruine flanken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, want het Siberische deel van het areaal is enorm. In Fennoscandinavië gaat het echter slecht: in Zweden zijn nog maar enkele honderden paren over en staat hij hoog op de nationale rode lijst, in Noorwegen is hij eveneens sterk afgenomen, en Finland — dat verreweg het grootste Europese deel herbergt — laat een gestage daling zien. De oorzaken liggen bij de moderne bosbouw: kaalkap, het oogsten van oud bos en het verwijderen van dode staande bomen halen zowel de nestholtes als het voedsel weg. Waar oude, ongelijkjarige taiga met dood hout blijft staan, houdt hij stand.



