Alle soortenUilenEchte uilen › Cypriotische dwergooruil

Cypriotische dwergooruil

Otus cyprius | Cyprus scops owl | Autillo chipriota

De Cypriotische dwergooruil is een klein, grijs uiltje dat nergens anders leeft dan op Cyprus, waar het gewoon is in tuinen, dennenbossen en dorpspleinen van de kust tot ongeveer 1900 meter hoogte. Hij lijkt tot in de details op de dwergooruil; op het eiland is het de zang die hem benoemt, een tweetonige strofe die de hele nacht doorgaat. Op de meeste wereldlijsten wordt hij sinds 2015 als aparte soort behandeld.

Cypriotische dwergooruil (Otus cyprius)
Foto: Julien Renoult — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De strofe van het mannetje bestaat uit twee tonen: een kort, zacht voortoontje en meteen daarachter de volle fluittoon, die een fractie lager ligt. Die combinatie wordt in hetzelfde trage tempo herhaald als bij de dwergooruil, ongeveer één strofe om de twee à drie seconden, en gaat een groot deel van de nacht door; op afstand klinkt het alsof twee vogels elkaar antwoorden. Daarin zit het verschil. De dwergooruil geeft in elke strofe één toon en laat er alleen bij uitzondering een kort voortoontje aan voorafgaan, terwijl dat op Cyprus juist de regel is. De toonhoogte zelf ligt bij beide in dezelfde band, dus het is de verdubbeling en niet de hoogte die de soort noemt. Zingt vanaf februari, het luidst van maart tot mei, en opnieuw in de herfst; te horen vanaf de schemering en verder de nacht door.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een klein, slank uiltje met korte oorpluimen, gele ogen en een loodgrijze snavel, nauwelijks groter dan een spreeuw. Het verenkleed is koel grijsbruin, fijn gemarmerd en met dunne donkere lengtestrepen, gemiddeld donkerder en kouder van kleur dan bij de dwergooruil; de roodbruine kleurvorm die op het vasteland voorkomt, ontbreekt hier. Over de schouderveren loopt een rij witte vlekken en de grijze gezichtssluier is fijn getekend met een donkere rand. In rust rekt de vogel zich uit tot een dunne, rechtopstaande stomp met opgezette oorpluimen; ontspannen is hij rond en bolvormig. De vlucht is snel en recht op lange, vrij smalle vleugels en golft nauwelijks.

Verwarrings­soorten

De dwergooruil is het enige echte probleem, en op zicht is het verschil niet betrouwbaar: Cypriotische vogels zijn gemiddeld donkerder en kouder grijs en missen de roodbruine kleurvorm, maar dat is een gemiddelde en geen veldkenmerk. Doortrekkende dwergooruilen komen in maart en april en opnieuw in september en oktober over Cyprus en zwijgen dan, zodat een zwijgende vogel buiten een bezet territorium in die maanden niet met zekerheid op naam te brengen is; een zingende vogel wel. Van de andere uilen van het eiland is de steenuil gedrongener en forser, met een platte kop, brede witte wenkbrauwen en felgele ogen in een fronsend gezicht, en hij zit vaak overdag op een muur of paal. De ransuil is de andere uil met oortjes, maar veel groter, met lange, opvallende oorpluimen, oranjerode ogen en een warm roestbruin kleed.

Leefgebied

Vrijwel elk begroeid landschap van het eiland beneden 1900 meter: bossen van Calabrische den, boomrijke dorpsranden, tuinen, parken en kerkhoven, olijf- en johannesbroodgaarden en akkerland met losse oude bomen. Broedt in holtes in bomen, muren en gebouwen en neemt nestkasten graag aan; omdat Cyprus geen spechten heeft en de Calabrische den pas op hoge leeftijd holtes krijgt, zijn natuurlijke nestplaatsen schaars. Jaagt vooral op grote nachtinsecten die vanaf een lage tak worden gegrepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het hele areaal ligt op Cyprus: de soort broedt over vrijwel het gehele eiland, van de kustvlakten en de wijnbouwdorpen tot in de bossen van het Troodos, met een geschatte 5000 tot 12.000 broedparen. Het is een standvogel die niet wegtrekt; in de winter zakken vogels uit de bergen wel naar lagere gronden. Daarbuiten is de soort nergens vastgesteld. Wel trekken in het voorjaar en het najaar dwergooruilen van het vasteland over het eiland, zonder dat de twee zich vermengen.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in maart of april na zonsondergang in een dorp in de heuvels bij Pafos, Lefkara of de zuidrand van het Troodos staan, bij een kerkhof of een laan met oude bomen, en luister naar het dubbele fluitje. Het is het gewoonste nachtgeluid van het eiland en meestal roepen er meerdere binnen gehoorsafstand. Tel bij twijfel de tonen per strofe: twee betekent de eilandsoort, één betekent een doortrekkende dwergooruil, en zwijgende vogels laat je in maart, april, september en oktober beter onbenoemd.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De stand is stabiel en de soort profiteert van tuinen, boomgaarden en dorpsbeplanting, maar het areaal is niet groter dan één eiland, wat de soort gevoelig maakt voor eilandbrede veranderingen. Het opruimen van oude, holle bomen, bosbranden in de dennenbossen en het gebruik van insecticiden waardoor grote nachtinsecten schaarser worden, zijn de belangrijkste aandachtspunten; nestkasten in dorpen en bosranden worden goed gebruikt.