Alle soorten › Futen › Futen › Dikbekfuut
Dikbekfuut
Podilymbus podiceps | Pied-billed grebe | Zampullín picogrueso
Een Amerikaanse fuut met de kop en de snavel van een klein hoen: blokkig, hoog van voorhoofd en met een korte, opvallend dikke snavel. Wie er in Europa een vindt, heeft meestal geluk met een vogel die weken tot maanden op dezelfde plas blijft.
Geluid
De zang is een luide, holle reeks die begint met een ratelend kek-kek-kek en overgaat in een langzamer, koekoekachtig kaw-kaw-kaw-kawp dat aan het eind daalt en uitzakt. In het broedgebied klinkt hij vooral bij dageraad en schemering, ook uit dichte vegetatie. Dwaalgasten in Europa zijn vrijwel altijd zwijgzaam, dus reken er niet op.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een gedrongen, egaal grijsbruine fuut, groter en zwaarder dan een dodaars, met een korte hals en een pluizig wit achterlijf dat als een bal omhoogsteekt. Beslissend is de snavel: kort, hoog en zijdelings afgeplat, met een gebogen bovenrand, in broedkleed bleek blauwwit met een scherpe zwarte dwarsband en daarboven een zwarte keelvlek. In winterkleed is de snavel geelhoornkleurig zonder band, is de keel vuilwit en is de kop warm beige met een donkere kruin. Rond het oog zit een dunne witte ring. De vogel zakt vaak langzaam weg als een onderzeeër in plaats van te duiken.
Verwarringssoorten
De dodaars is de enige echte verwarringssoort en de vergelijking gaat om drie dingen. De snavel: bij de dodaars dun, spits en donker met een felgroene vlek in de mondhoek, bij de dikbekfuut kort, hoog en bleek, in de zomer met een zwarte band. De kopvorm: bij de dodaars rond en klein, bij de dikbekfuut blokkig met een steil voorhoofd en een vlakke kruin. Het formaat en de kleur: de dodaars is duidelijk kleiner en in broedkleed kastanjebruin op wang en hals, terwijl de dikbekfuut altijd egaal koffiebruin blijft en een opvallender wit achtereind toont.
Leefgebied
Kleine, beschutte zoetwateren met veel oevervegetatie: rietkragen, kleiputten, zandwinplassen, stadsvijvers, kanalen en traag stromende rivieren. In Europa worden de vogels bijna altijd op zulke kleine wateren gevonden, vaak op een spaarbekken of een visvijver met riet, en zelden op groot open water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. In Europa is de soort een zeldzame dwaalgast: op de Azoren bijna jaarlijks, op het vasteland en in Groot-Brittannië en Ierland met tientallen gevallen in totaal, en met enkele waarnemingen in Noordwest-Spanje en Frankrijk. In Zuid-Wales bracht in de jaren zestig een dikbekfuut samen met een dodaars jongen groot, een geval dat nog altijd wordt aangehaald. Voor Nederland is de soort een uiterste zeldzaamheid.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk van oktober tot december, na een reeks westelijke stormen, op spaarbekkens, zandwinplassen en visvijvers met riet, en werk elke dodaars in zo'n gebied kort na. Een lange verblijfsduur is normaal, dus een gemeld exemplaar is meestal de volgende dag nog te vinden. Zoek naar de vogel die tussen het riet blijft hangen en langzaam wegzakt in plaats van energiek te duiken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en over vrijwel het hele Amerikaanse continent verspreid, al verdwijnen lokaal broedplaatsen door het dempen en schonen van moerassen. In Europa is de soort te zeldzaam om beheer op te baseren; het enige aandachtspunt is verstoring van langdurig pleisterende vogels door bezoekers die te dicht op de oever komen.


