Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Halsbandparkiet
Halsbandparkiet
Psittacula krameri | Rose-ringed parakeet | Cotorra de Kramer
De halsbandparkiet hoor je vrijwel altijd voordat je hem ziet: een schel, doordringend gekrijs dat dwars door het geruis van een stadspark heen snijdt. Sinds de jaren zeventig is deze papegaai uit de Sahel en het Indisch subcontinent een vaste bewoner van de Randstad, Brussel, het Rijnland en Groot-Londen.
Geluid
Een hard, schel kie-ak of kiéé-jak, meestal in korte reeksen van twee tot vier noten en bijna altijd in de vlucht uitgestoten; het is het geluid waarmee de soort zich verraadt nog voor er iets groens langsschiet. Bij de slaapplaats zwelt dat aan tot een oorverdovend, aanhoudend koor van honderden vogels. In en rond het nestgat een zachter, keffend kek-kek-kek. Jaarrond te horen, het luidst in het laatste kwartier voor zonsondergang.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Slanke, grasgroene parkiet met een zeer lange, spits toelopende staart die ruim de helft van de totale lengte inneemt. Rode bovensnavel met een zwarte punt, geel oog met een rode ring, blauwgroene waas over het achterhoofd. Het vliegbeeld is onmiskenbaar: kaarsrecht en snel, met korte, ondiepe slagen die nauwelijks boven de ruglijn uitkomen, terwijl de staart als een strakke wimpel achteraan sleept — meer pijl dan vogel. Adulte man heeft een zwarte kin- en keelvlek die doorloopt in een dun zwart halsbandje, van achteren afgezet met roze; vrouwtjes en jonge vogels missen die band volledig of tonen hooguit een vage groene schaduw ervan, en hebben ook een iets kortere staart.
Verwarringssoorten
De grote alexanderparkiet vliegt in Nederland, Duitsland en Engeland plaatselijk eveneens vrij rond en is de enige echte verwarringssoort. Hij is fors groter (55–62 cm), heeft een zwaardere, dieper bloedrode snavel en draagt in alle kleden — ook vrouwtje en juveniel — een kastanjebruinrode schoudervlek op de vleugeldekveren; zijn vleugelslag is trager en zwaarder en zijn roep dieper en rauwer. De monniksparkiet is korter gestaart en veel gedrongener, met een grijs voorhoofd, grijze keel en grijsgeschubde borst, en bouwt grote takkennesten in plaats van in holen te broeden.
Leefgebied
Vrijwel volledig gebonden aan bebouwd gebied met oude, dikke bomen: stadsparken, begraafplaatsen, oude villawijken, laanbeplanting, landgoedbossen aan de stadsrand en volkstuincomplexen. Broedt in grote holten in platanen, beuken, populieren en linden, vaak in uitgehakte oude spechtengaten, van januari tot juni. Foerageert op knoppen, bloesem, zaden, noten en fruit, en in de winter volop op voertafels in tuinen — die winterbijvoedering is een van de redenen dat de soort het hier op noordelijke breedte redt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Ingeburgerd in de Randstad (Den Haag, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Leiden), in Brussel en enkele Vlaamse steden, in het Duitse Rijn-Maingebied (Keulen, Düsseldorf, Wiesbaden, Heidelberg) en in Groot-Londen met Surrey en Kent. Nederland telt naar schatting 2500–3000 broedparen, met winterslaapplaatsen van in totaal 10.000–12.000 vogels. Verder zijn er kolonies in Parijs, Barcelona, Sevilla, Madrid, Rome en Athene. Het oorspronkelijke areaal loopt van Senegal en de Sahel door Soedan en Ethiopië tot Pakistan, India en Nepal.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in november of december een halfuur voor zonsondergang naar een bekende slaapplaats — in Den Haag het Haagse Bos en de bomen rond de Nieuwe Uitleg, in Amsterdam het Vondelpark en het Oosterpark — en ga met je rug naar de laatste lichte lucht staan. De vogels komen in golven van tientallen tegelijk invallen, cirkelen krijsend rond en laten zich dan als groene bladeren in de kruinen vallen. In de broedtijd is het makkelijker: zoek dikke platanen met een ronde, uitgeknaagde holte en wacht op het keffende geluid.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in het oorspronkelijke areaal is de soort algemeen tot plaatselijk schadelijk voor de landbouw. In Europa gaat het om een ingeburgerde exoot die teruggaat op ontsnapte en losgelaten kooivogels vanaf de jaren zestig en zeventig, met sindsdien een gestage groei. Of hij inheemse holenbroeders verdringt is nog niet sluitend beantwoord. Experimenteel onderzoek in Brussel liet zien dat parkieten boomklevers actief uit geschikte holen verjagen en dat de dichtheid van boomklevers rond grote parkietenconcentraties lager ligt; een analyse van Britse telreeksen vond daarentegen op populatieniveau nauwelijks aantoonbaar effect op spreeuw, kauw of spechten. Het duidelijkste geval staat in Sevilla, waar parkieten de zeldzame reuzenvleermuis uit zijn boomholten hebben verdreven. Daarnaast spelen lokaal vraatschade aan fruit en geluidsoverlast bij slaapplaatsen. De soort staat op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve exoten niet vermeld, maar wordt in meerdere landen wel gemonitord.




