Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Japanse nachtegaal
Japanse nachtegaal | Leiothrix lutea
Red-billed leiothrix | Ruiseñor del Japón
Een van de meest verhandelde kooivogels ter wereld, en sinds de jaren negentig een gewone broedvogel in de bossen van Noord-Italië, Zuidwest-Frankrijk en Catalonië. Zien doe je hem zelden — hij leeft in het dichtste struikgewas dat er is — maar horen des te meer: een luide, rollende fluitstrofe die in sommige Italiaanse bossen alle andere zang overstemt.
Geluid
De zang is een luide, snelle en warme fluitstrofe van vijf tot tien lettergrepen, met een duidelijke op-en-neergaande beweging: tsjuu-wie-tsjuu-wieto, vaak eindigend op een omhoog getrokken noot, en met korte tussenpozen eindeloos herhaald vanuit dekking. Van een afstand doet het aan een zwartkop denken, maar het is voller, luider en veel monotoner van bouw. De contactroep is een hard, nasaal tsjrièp of tsjèk, uit een groepje in serie; bij onraad een droge ratel. In Noord-Italiaanse bossen is de soort zo talrijk dat metingen van het geluidslandschap ruim een derde van alle vogelgeluid aan hem toeschreven. Te horen van februari tot in juli, en sporadisch de rest van het jaar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en gedrongen, met een grote kop, een korte hals en een licht gevorkte staart met donkere hoeken. De bovendelen zijn dof olijfgroen, de kop grijzig met een breed lichtgeel oogveld. Twee dingen beslissen: de koraalrode snavel met een donkere basis, en het vleugelpaneel. Op de gevouwen vleugel dragen de handpennen aan de basis een citroengele zoom die naar buiten toe in oranje en dan in een scherpe vuurrode vlek overgaat, met daarachter zwart. De keel is helder geel en loopt over in een oranje borst; de flanken zijn grijsgroen, de onderstaartdekveren bleek. Vrouwtjes zijn overal doffer en hebben een kleinere, meer oranje dan rode vleugelvlek; jonge vogels hebben een donkere, bijna zwarte snavel. De vlucht is kort en fladderend, van struik naar struik, waarbij het rood en geel even oplichten.
Verwarringssoorten
In Europa is er geen inheemse vogel die er ook maar in de buurt komt: rode snavel, gele keel en een rood-geel vleugelpaneel bestaan hier verder niet. Verwarring komt van twee andere kanten. Ten eerste van slecht geziene inheemse vogels in dekking: een groenling die wegduikt is ook groengeel met geel in de vleugel, maar heeft een dikke roze kegelsnavel en een diep gevorkte staart. Ten tweede van andere ontsnapte volièrevogels. De zilveroorbabbelaar, een naaste verwant die eveneens veel wordt gehouden, is duidelijk groter, heeft een oranjegele snavel, een zilvergrijze oorstreek en een oranjerode stuit. Wie in Zuid-Europa een klein groen vogeltje met een rode snavel in het struweel ziet, hoeft niet lang te twijfelen.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos met een dichte, ondoordringbare struiklaag, vrijwel altijd bij water: tamme-kastanjebos, eikenbos en beukenbos met hulst, laurier, braam en hazelaar, beekbegeleidend bos, verwilderde bamboeaanplant en de dichtbegroeide randen van bospaden. In Catalonië is het steeneik- en pijnboombos met een dicht onderstruweel. Open terrein wordt gemeden — dat is ongewoon voor een ingevoerde vogel, want de meeste exoten zoeken juist open en verstoord land. Het nest is een diepe kom laag in een struik of bamboepol. Eet in de zomer insecten en spinnen, in het najaar en de winter vooral bessen en zachte vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het natuurlijke areaal loopt van Noordoost-Pakistan en de zuidelijke Himalaya door Noord-India, Nepal, Bhutan en Myanmar tot Zuid- en Oost-China, meestal boven de duizend meter. In Europa gaat het om een reeks kernen die teruggaan op ontsnapte kooivogels. De grootste liggen in Noord- en Midden-Italië — Ligurië, Toscane, Lazio, de Colli Euganei — en in Zuidwest-Frankrijk, waar de vogel langs de gave de Pau en in de Pyrénées-Atlantiques het talrijkst is; Frankrijk kwam in 2015 op ruwweg vijfduizend vogels. Kleinere kernen zitten in Île-de-France (het bos van Montmorency), in het achterland van Nice, in Ariège, in Portugal en in Catalonië. Een overzicht van 2017 telde zevenendertig van elkaar gescheiden Europese kernen. Sinds 2019 is er een cluster in Wiltshire en Somerset in Engeland, waarvan nog niet vaststaat of het om een broedende bevolking gaat. In Nederland en België gaat het uitsluitend om losse ontsnapte vogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in april of mei naar een kastanje- of eikenbos met een dichte ondergroei in de Ligurische of Toscaanse heuvels, of naar de beboste hellingen van Collserola boven Barcelona. Zoek de zang op, loop tot je er vlakbij staat en blijf dan doodstil bij een braam- of laurierstruweel wachten: de vogels bewegen in kleine groepjes laag door de dekking en komen bij een muis-achtig gepiep uit eigen mond vaak even in het open. Verwacht geen zicht van boven — kijk op kniehoogte in de struik.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in het natuurlijke areaal algemeen. In Europa gaat het om een ingeburgerde exoot die teruggaat op ontsnapte en losgelaten kooivogels, met sinds de jaren negentig een gestage groei van zowel aantallen als areaal. Over schade is het eerlijke antwoord: die is nergens in Europa aangetoond. Wat er wél is, zijn aanwijzingen. In Noord-Italië neemt de soort een groot deel van het geluidslandschap in beslag, en experimenteel onderzoek liet zien dat zwartkop en roodborst hun zanggedrag aanpassen wanneer hij aanwezig is. Er is overlap in voedsel — vruchten en ongewervelden — met inheemse struweelvogels, en de soort is in het veld dominant bij voedsel. Daarnaast draagt hij vogelmalaria zonder er zelf veel last van te hebben; op Hawaï is dat voor inheemse vogels rampzalig geweest, in Europa is er tot nu toe geen enkel geval bekend. Een populatiedaling van een inheemse soort is nog nergens aan hem gekoppeld. Spanje heeft hem in het Catálogo español de especies exóticas invasoras opgenomen (Real Decreto 630/2013), met de zwaarste categorie op de Canarische Eilanden; Frankrijk en Italië voeren geen bestrijding.




