Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Kaukasisch berghoen
Kaukasisch berghoen
Tetraogallus caucasicus | Caucasian snowcock | Perdigallo caucásico
Een zwaar, duifgrijs berghoen van het hoogste deel van de Kaukasus, dat zelden onder de tweeduizend meter komt. Je hoort hem eerder dan je hem ziet: een helder, klagend fluitsignaal dat vanaf een puinhelling bijna een kilometer ver draagt.
Geluid
Een lang, zuiver fluitsignaal, klagend en met een curieuze gelijkenis met de wulp: tjuu-uuu-ie, vaak in tweeën herhaald, beginnend op een lage toon, oplopend en dan aan het slot duidelijk terugzakkend. Op stille ochtenden draagt het bijna een kilometer over de hellingen. Daarnaast een luid kakelend ka-ka-ka-ka bij onraad en een borrelend geluid van foeragerende groepjes. De hen fluit zelden. Het meeste geluid komt van de eerste twee uren na zonsopkomst.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een fors, gedrongen hoen ter grootte van een kleine gans. Kop en nek zijn grijs met een scherp afgetekende witte keel en een witte vlek op de zijhals, daarachter een roestbruine band over de nekzijden. Rug en dekveren zijn grijsbruin met lichte pijlvormige zoomtekening, de flanken dragen roodbruine strepen, de buik is donkergrijs en de onderstaartdekveren zijn wit. In vlucht valt het witte veld in de vleugel op. Rond het oog ligt een gele ring, de snavel is donker en de poten zijn dofgeel. De seksen lijken sterk op elkaar; de hen is iets kleiner en doffer.
Verwarringssoorten
Het Kaspisch berghoen (Tetraogallus caspius) is de enige verwarringssoort. De arealen raken elkaar bijna maar overlappen niet: het kaukasische zit in de Grote Kaukasus, het kaspische in het zuiden, in de Kleine Kaukasus van Armenië en Oost-Turkije en in het Elboersgebergte. Tussen beide ligt de laagte van de Koera. Het Kaspisch berghoen is groter (56 tot 63 centimeter, spanwijdte tot ruim een meter), kouder en bleker grijs, mist de roestbruine band over de nekzijden en de roodbruine flankstrepen, heeft een grijze in plaats van roestige nek en toont meer wit in de vleugel. Ook de stem verschilt: het fluitsignaal van het kaukasische zakt aan het eind duidelijk in toonhoogte, dat van het kaspische niet.
Leefgebied
Kale, steile hellingen boven de boomgrens tussen ongeveer 2000 en 4000 meter, met rotsribben, puinhellingen en steenvelden afgewisseld door kleine grazige plekken en groepjes dwergstruweel; bij voorkeur dicht bij sneeuwvelden en gletsjerranden. In de zomer zoekt de vogel noordhellingen op vanwege de koelte, in de winter zuidhellingen waar de sneeuw eerder wegblaast. In maart zitten ze rond 2300 tot 2400 meter, in de zomer tot tegen de eeuwige sneeuw aan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Endemisch in de Grote Kaukasus, van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee, over het grondgebied van Rusland, Georgië en Azerbeidzjan. Doordat de vogel slecht vliegt is de verspreiding een aaneenrijging van geïsoleerde massieven; er is geen contact met verwanten buiten het gebergte.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kazbegi in Georgië en het Teberda-Dombaj-gebied in Karatsjaj-Tsjerkessië zijn de bekendste plekken. Klim in mei of juni tot boven de 2500 meter, wees er voor zonsopkomst en gebruik de fluitroep om de vogels te lokaliseren; scan daarna geduldig de puinhellingen, want het grijs van de vogel gaat volledig op in de stenen. Vaak zie je ze pas als een groepje in gestrekte glijvlucht een dal oversteekt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd volgens de Rode Lijst, met een grote maar dunne populatie in een moeilijk toegankelijk gebergte. De reële druk is lokaal: jacht en stroperij, verstoring en overbegrazing door schapenkudden op de zomerweiden, en op langere termijn de terugtrekkende sneeuwvelden, die de koele, vochtige randen waar de vogels in de zomer foerageren kleiner maken.



