Alle soortenZangvogelsKraaiachtigen › Kauw

Kauw

Coloeus monedula | Eurasian jackdaw | Grajilla occidental

De kauw is de kleinste kraai van Nederland en de meest stedelijke: hij broedt in schoorstenen, kerktorens en holle bomen, loopt kwiek en rechtop over grasvelden en houdt levenslang hetzelfde partnerverband. Zijn heldere kjak boven een dorpsplein hoort bij het geluid van Europa.

Kauw (Coloeus monedula)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is minstens zo kenmerkend als het uiterlijk: een kort, helder en metaalachtig kjak of tsjak, veel hoger en vrolijker dan het krassen van kraai en roek, vaak in snelle reeksen en met veel variatie. Bij groepsvluchten rond een toren klinkt een aanhoudend, opgewonden gekwetter met een schriller kjaa-r ertussen. Bij een slaapplaats in de schemering zwelt het koor van honderden vogels aan tot een golvend, bijna klokkend geroezemoes.

Luister: Roepen van een groep boven een dorpXC436939

Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Duidelijk kleiner en compacter dan zwarte kraai of roek, met een korte, stevige en recht afgesneden snavel — geen dolk maar een tang. Het verenkleed is dof zwart met een grijze nek en achterkop die als een capuchon om de zwarte kruin ligt; bij goed licht zie je dat het lichaam eerder donker leigrijs is dan zwart. Het beslissende kenmerk is het oog: bij volwassen vogels helder zilverwit tot lichtblauwgrijs en van grote afstand zichtbaar. Jonge vogels hebben in hun eerste zomer een doffer, grijsbruin oog en een minder contrastrijke nek. In de vlucht is hij snel en wendbaar, met opvallend snelle vleugelslagen en een kort, gedrongen silhouet; groepen buitelen en tuimelen graag rond torens.

Verwarrings­soorten

Zwarte kraai is aanzienlijk groter en zwaarder, egaal glanzend zwart zonder grijze nek, met een dikke, gebogen snavel en een donker oog; zijn vleugelslag is trager en zijn roep een diep, schrapend kraah. Roek is ongeveer even groot als een zwarte kraai, met een spitse, kegelvormige snavel, bij volwassen vogels een kale, grijswitte snavelbasis, een steil voorhoofd, ruige 'broek' en een paarsige glans; zijn roep is hoger en klaaglijker dan die van de kraai. Jonge roeken hebben nog wél bevederde snavelbasis en lijken daardoor meer op kraaien, maar blijven spitser van snavel en hoger van kop. Kauwen zitten trouwens vaak middenin roeken- en spreeuwengroepen: zoek dan naar het formaatverschil, de grijze nek en het lichte oog.

Leefgebied

Overal waar holtes en kort gras samenkomen: dorpen en steden met oude gebouwen, kerktorens, schoorstenen en kastelen, verder oude parken, boerenerven, knotwilgenrijen, oude beukenbossen met spechtenholen en kustkliffen. Foerageert op korte graslanden, sportvelden, akkers en tussen het vee, op wormen, emelten, insecten, zaad en menselijk afval. Buiten het broedseizoen slaapt hij gezamenlijk in grote bomen of bossen, vaak samen met roeken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid over vrijwel heel Europa, Noordwest-Afrika en westelijk Azië. In Nederland is de kauw een algemene standvogel van stad en platteland, met in de winter aanvulling uit Noordoost-Europa; de aantallen zijn de laatste decennia stabiel tot licht toegenomen. In Spanje broedt de soort verspreid over het hele land in kerktorens, kliffen en oude gebouwen, met concentraties op de Meseta en in Andalusië, waar zij vaak samen met torenvalken en gierzwaluwen dezelfde monumenten bewoont.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Het hele jaar door, maar het mooist in de schemering van een winteravond bij een gezamenlijke slaapplaats: kauwen en roeken verzamelen zich dan in golven boven een bosje of een parkbos en de lucht staat vol tuimelende vogels. In het voorjaar is een oude kerktoren of een rij knotwilgen de plek om paren te zien: kauwen zitten dicht tegen elkaar aan, poetsen elkaars nek en blijven jarenlang bij elkaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Europa als geheel stabiel tot toenemend, waarbij de soort profiteert van gebouwen als nestplaats. Lokaal knelt het wel: het afsluiten van schoorstenen en het renoveren van torens kost nestgelegenheid, en op het platteland is minder voedsel te vinden door het verdwijnen van kort begraasd, insectenrijk grasland. In enkele landen wordt de kauw nog bejaagd als schadesoort.