Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Keizerarend
Keizerarend | Aquila heliaca
Imperial eagle | Águila imperial oriental
De keizerarend is de grote arend van de laaglandsteppe en het boerenland van Zuidoost-Europa, niet van de bergen. Hij broedt in een enkele hoge boom midden in een open landschap en jaagt op grondeekhoorns, hamsters en hazen. Na een diep dal is hij in de Pannonische vlakte flink toegenomen: Hongarije telt inmiddels honderden paren, Oostenrijk kreeg de soort na bijna twee eeuwen terug.
Geluid
Buiten de nestomgeving zwijgzaam, maar in het territorium duidelijk luidruchtiger dan de meeste arenden. Vanaf een hoge tak of in de baltsvlucht klinkt een diep, blaffend ok-ok-ok-ok of rauk-rauk, hard en ver dragend, veel voller dan het ijle geblaf van de steenarend; bij opwinding versnelt het tot een rollend kokokoko. Het luidst van maart tot mei; jongen bedelen in juli met een schorre, aanhoudende roep.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en zwaar gebouwd, met lange, brede vleugels met een rechte voor- en achterrand die in de zweefvlucht vlak worden gehouden of hooguit een spoor geheven; de basis van de vleugel versmalt niet. De kop en de lange hals steken duidelijk naar voren, de staart is betrekkelijk lang en recht afgesneden. De zes buitenste handpennen zijn diep ingesneden; het exacte aantal vingers verandert met de rui en zegt minder dan de vorm van de hand, die lang en recht afgesneden oogt. De adulte vogel is zwartbruin met een lichte, okergele tot goudgele kruin en nek die van de kruin tot ver in de hals doorlopen, en met kleine, van elkaar gescheiden witte vlekken op de schouderveren — meestal een tot drie stipjes, soms nauwelijks te zien en nooit een doorlopende band. De staart is grijs met een brede zwarte eindband. In het eerste jaar is de vogel zandokerkleurig met zware donkere streping op borst en mantel, twee smalle lichte banden over de vleugeldekveren, een lichte wig in de binnenste handpennen en een licht stuitvlak; het vluchtbeeld is dan opvallend tweekleurig, met een licht lijf tegen donkere slagpennen.
Verwarringssoorten
De steenarend zweeft in een duidelijke ondiepe V, heeft aan de basis versmalde vleugels, een langere en aan het eind licht afgeronde staart en een kop die minder ver uitsteekt; zijn goudgele nek beperkt zich tot het achterhoofd, terwijl de keizerarend de hele kruin én nek licht heeft. Bij de juvenielen is het verschil het duidelijkst: de jonge steenarend heeft scherp afgetekende witte vlekken in de handbasis en een witte staartbasis met brede zwarte eindband, de jonge keizerarend juist een lichte wig in de binnenste handpennen, twee smalle lichte vleugelstrepen, een gestreepte borst en geen wit in de staartbasis. De spaanse keizerarend is aan het wit te scheiden: bij hem loopt een gave witte band over de voorrand van de binnenvleugel door tot aan de vleugelboeg en is de kruin roomwit, bij de keizerarend blijft het bij losse gevlekte stipjes en een okergele nek; de juvenielen verschillen nog sterker, want die van de spaanse soort is egaal roodbruin zonder streping. De steppearend mist elk wit op de schouder, heeft een gele mondhoek die tot achter het oog doorloopt, houdt de hand vaak iets hangend en heeft in onvolwassen kleed één brede, gave witte band over de vleugeldekveren in plaats van twee smalle. Bastaardarend en schreeuwarend zijn kleiner, met smallere vleugels die in de zweefvlucht juist naar beneden hangen. Op naam brengen lukt goed bij vogels in het eerste jaar en bij volledig uitgekleurde adulten; tussen het tweede en het vierde jaar is het kleed een onregelmatig mengsel van gestreepte jeugdveren en donkere adulte veren, komen de witte schoudervlekken pas rond het vierde of vijfde jaar door en blijft een deel van die vogels in het veld naamloos.
Leefgebied
Open laagland en heuvelland met verspreide hoge bomen: steppen en puszta, graanakkers en luzerne, weiden en ruige akkerranden, en langs de rand van loofbossen en houtwallen. Broedt in een grote horst hoog in een populier, eik of iep, vaak in een bosrand of in een alleenstaande boom midden in het bouwland, en jaagt vervolgens over de omringende open velden. Belangrijkste prooi zijn soeslikken, hamsters, hazen, fazanten en kraaien, aangevuld met aas in de winter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Pannonische vlakte over de Balkan naar Turkije, de Kaukasus en Zuid-Rusland, en verder oostwaarts tot Centraal-Azië, waardoor slechts een deel van het areaal binnen het kaartgebied valt. Hongarije is het bolwerk, met een stand die tussen 2020 en 2023 groeide van 340–370 naar 450–500 broedparen; Slowakije, Oostenrijk — 42 territoria in 2023 — Tsjechië, Servië en Bulgarije hebben kleinere maar groeiende aantallen. Volwassen vogels blijven het hele jaar bij hun horst, jonge vogels trekken naar het Midden-Oosten en Noordoost-Afrika. In Nederland is de soort een uiterste zeldzaamheid: het gaat om zwervende jonge vogels, en elke melding vraagt zorgvuldige documentatie. In Spanje ontbreekt hij; daar broedt alleen de spaanse keizerarend.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hongarije is de beste plek: de Hortobágy, de Kiskunság en vooral de lössheuvels aan de voet van het Bükk- en Zempléngebergte, in april en mei tussen negen en twaalf uur, als de eerste thermiek opkomt en de paren boven hun territorium cirkelen. Rijd de veldwegen af, stop bij een hoog punt met uitzicht over akkers met losse bomen en scan de boomtoppen en de hoogspanningsmasten; een zittende keizerarend valt door zijn lichte kop van ver op. In Bulgarije werkt de Sakargebergte, in Turkije de vlaktes bij Iğdır.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar volgens de IUCN (Vulnerable). De Europese stand groeit dankzij bewaking van horsten, isolatie van gevaarlijke masten en het opsporen van vergiftigingszaken, maar de soort blijft klein en kwetsbaar. Illegale vergiftiging met verboden landbouwgif in aas is in Midden-Europa doodsoorzaak nummer één, gevolgd door elektrocutie aan middenspanningsmasten — in Bulgarije werd die verantwoordelijk gehouden voor een groot deel van de sterfte onder jonge vogels — afschot langs de trekroute, het kappen van horstbomen en aanvaringen met windturbines. Het instorten van de soeslikstand door omzetting van grasland in bouwland maakt bovendien de voedselsituatie onzeker.




