Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Steppearend
Steppearend | Aquila nipalensis
Steppe eagle | Águila esteparia
De steppearend is de trekvogel onder de grote arenden: hij broedt op de open steppen van Rusland en Centraal-Azië en trekt in het najaar in duizenden over het Midden-Oosten en Egypte naar Afrika. Boven Eilat en Suez kun je hem in stromen zien passeren, al zijn die stromen sinds de jaren tachtig sterk uitgedund.
Geluid
Zwijgzaam, en op trek vrijwel altijd stil — wie er honderden ziet langskomen hoort er geen. Bij het nest en bij ruzie om aas klinkt een hees, blaffend kjaf-kjaf of een rauw krèh, korter en schorrer dan de roep van de keizerarend. Op vuilstortplaatsen en bij kadavers geven bijeengekomen vogels een knorrend gekras als ze elkaar met opgezette nekveren wegduwen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een grote, log ogende arend met lange, brede vleugels die het breedst zijn over de armpennen en een licht bollende achterrand hebben; in de zweefvlucht worden ze vlak gehouden, in de glijvlucht hangt de hand vaak iets naar beneden. De zes buitenste handpennen zijn diep ingesneden, maar tel er niet op — door rui en slijtage varieert het beeld — en let liever op de brede, stompe hand die nauwelijks versmalt bij het lijf. Het beste kenmerk zie je van dichtbij: de gele mondhoek loopt als een lange gele streep tot achter de achterrand van het oog door en geeft de kop een grimmige uitdrukking; bij alle verwante arenden houdt die streep halverwege het oog op. De adulte vogel is egaal donkerbruin met een kleine roestbruine nekvlek en zonder enig wit op de schouder, met sterk gebande grijze slagpennen en een donkere achterrand van de vleugel. Jonge en onvolwassen vogels zijn lichter bruin en dragen één brede, gave witte band over de vleugeldekveren, boven én onder, met een witte stuitsikkel en een witte achterrand van de vleugel — het meest karakteristieke vluchtbeeld van de hele groep.
Verwarringssoorten
De steenarend zweeft in een duidelijke ondiepe V en niet vlak, heeft aan de basis versmalde vleugels, een langere en aan het eind licht afgeronde staart, een kop die merkbaar uitsteekt en een goudgele nek; zijn juveniel heeft scherp afgetekende witte vlekken in de handbasis en een witte staartbasis met brede zwarte eindband, terwijl de jonge steppearend juist die ene brede witte band over de dekveren en een witte achterrand toont. De keizerarend heeft kleine witte schoudervlekjes, een lichte kruin en nek, een gele mondhoek die maar tot het midden van het oog reikt en als jonge vogel twee smalle lichte vleugelstrepen en een gestreepte borst in plaats van één brede witte band. De spaanse keizerarend heeft een doorlopende witte band tot aan de vleugelboeg en een roomwitte kruin, en komt alleen op het Iberisch schiereiland voor. De bastaardarend is het lastigst: kleiner en donkerder, met een smallere vleugel die in de glijvlucht sterker naar beneden hangt, een kortere mondhoek en bij jonge vogels rijen witte druppelvlekken op de dekveren in plaats van één gesloten band. De arendbuizerd is slanker, lichter van kop en heeft een ongebande lichte staart. Op naam brengen lukt goed bij vogels in het eerste en tweede jaar, door die witte vleugelband, en bij volledig donkere adulten met de lange mondhoek; daartussen, in het derde en vierde jaar, raakt de witte band versleten en onderbroken en blijven veel vogels op afstand niet met zekerheid te benoemen.
Leefgebied
Open droge steppe en halfwoestijn met lage kruiden en kale bodem, waar hij op de grond of op een lage struik nestelt; op trek en in de winter ook graanakkers, braak, dorre vlaktes en vooral vuilstortplaatsen en slachtafvalplaatsen, waar tientallen vogels tegelijk kunnen samenkomen. Jaagt op grondeekhoorns en andere knaagdieren, maar leeft buiten de broedtijd in hoge mate van aas en van wat andere roofvogels laten liggen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Kaspische steppen van Zuid-Rusland oostwaarts door Kazachstan tot Mongolië en China; binnen het kaartgebied ligt alleen de westrand van dat broedgebied, in de steppen ten noorden van de Kaspische Zee. De soort is er vooral als doortrekker: in het najaar trekken de vogels langs de oostkant van de Middellandse Zee via Israël, de Sinaï en Suez naar Afrika, en in het voorjaar terug, met daarnaast een tweede stroom over Bab-el-Mandeb. In het voorjaar werden bij Eilat vroeger tienduizenden vogels geteld — gemiddeld ruim zeventienduizend in de tellingen tussen 1977 en 2000 — maar in 2007 kwam de voorjaarstelling daar nog op ongeveer 2900 uit. In Nederland is de steppearend een uiterste zeldzaamheid, in Spanje eveneens.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eilat in maart, of de heuvels bij Suez en Ain Sokhna in oktober. Ga aan de rand van de bergrug staan die evenwijdig aan de trekbaan loopt, met de wind schuin in de rug, en begin rond half tien 's ochtends als de eerste thermiek de vogels omhoog tilt; de arenden komen in losse groepen laag over de bergkam en cirkelen dan omhoog. Neem de tijd om zittende vogels op de grond of op palen te bekijken, want alleen dan zie je de mondhoek. In Oman en Israël leveren vuilstortplaatsen in de winter dichtbije waarnemingen op.
Staat van instandhouding
Bedreigd volgens de IUCN (Endangered), sinds 2015 in die categorie. De wereldpopulatie is in enkele decennia met meer dan de helft afgenomen. Elektrocutie aan slecht geconstrueerde middenspanningsmasten in de Kazachse en Russische steppe kost jaarlijks grote aantallen vogels, en daarnaast spelen het omzetten van steppe in bouwland, steppebranden, het verdwijnen van soeslikkolonies, vergiftiging via aas en veterinaire middelen, vertrapping van grondnesten door vee en afschot op de trekroute een rol. De sterke daling van het aandeel jonge vogels in de trektellingen bij Eilat wijst erop dat ook het broedsucces is teruggelopen.



