Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Dwergarend
Dwergarend | Hieraaetus pennatus
Booted eagle | Águila calzada
De dwergarend is de kleinste arend van Europa, nauwelijks groter dan een buizerd, en de enige die in twee duidelijk verschillende kleurvormen rondvliegt. In Spanje is hij van maart tot oktober een gewone verschijning boven bos en dehesa; in Nederland een zeldzame maar inmiddels bijna jaarlijkse gast.
Geluid
Vooral rond de nestplaats van april tot juli te horen: een hoog, doordringend pie-pie-piiie dat aan een gierzwaluw doet denken, en bij de horst van beide partners een snel klie-klie-klie-kie-kie. Het mannetje roept ook tijdens zijn golvende baltsvlucht hoog boven het bos, meestal in de late ochtend. Op trek en in de winter zwijgt de soort vrijwel geheel.
Opname: Bubulcus — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Ongeveer even groot als een buizerd — spanwijdte 110 tot 135 tegen 110 tot 133 centimeter — maar veel slanker gebouwd, en fors kleiner dan een havikarend of havik; het mannetje weegt zo'n 700 gram, het vrouwtje ongeveer een kilo. Zweeft op vlakke vleugels met een opvallend rechte achterrand en zes duidelijk gevingerde handpennen; de staart is vrij lang, smal en aan het eind recht afgesneden, zonder eindband en zonder dwarsbanden. Bij beide kleurvormen zit op de vleugelboeg een klein wit vlekje, de koplampjes, en loopt over de bovenvleugel een lichte band over de dekveren, met daarnaast een lichte vlek op de stuit. De lichte vorm, in Spanje verreweg de talrijkste, is van onderen wit met een roodbruin aangelopen kop en borst en scherp afstekende zwarte slagpennen; de handbasis is bleek. De donkere vorm is van onderen egaal warmbruin, maar heeft dezelfde bleke handbasis, dezelfde koplampjes en hetzelfde vierkante staarteinde. Van dichtbij vallen de tot aan de tenen bevederde poten op, waaraan de soort zijn naam dankt.
Verwarringssoorten
De maat is de eerste zeef, maar hier helpt hij nauwelijks: een dwergarend is even groot als een buizerd en veel kleiner dan een havikarend of een havik. De buizerd heeft brede, afgeronde vleugels met een bollende achterrand, een korte brede staart met een donkere eindband, donkere polsvlekken en een lichte U-vormige band over de borst, en zweeft in een ondiepe V; de dwergarend zweeft op vlakke vleugels, heeft een rechte achterrand, een langere en vierkant afgesneden staart zonder eindband, en de witte koplampjes. Wespendief heeft een kleinere kop op een langere hals en een langere staart met twee smalle basisbanden en één brede eindband, en mist de koplampjes. Havikarend is fors groter, met witte onderdelen met fijne streping, een witte rugvlek en een brede zwarte staarteindband. Havik is compacter, met een kop die voor de vleugelvoorrand uitsteekt en afgeronde staarthoeken. Een donkere dwergarend lijkt op afstand op een zwarte wouw, maar die is slanker, vliegt losser en wiegend en heeft een duidelijk gevorkte staart.
Leefgebied
Bos in heuvel- en berglanden met open terrein ernaast: pijnbossen, steeneiken- en kurkeikenbossen, oude loofbossen en populierenrijen langs rivieren, waar het nest hoog in een boom komt. Jaagt boven dehesa, akkers, kapvlaktes, struikvlaktes en droge graslanden op hagedissen, jonge konijnen en vooral kleine en middelgrote vogels, die hij in een steile, snelle stoot van bovenaf grijpt. In de bergen tot ongeveer 2000 meter, in Noord-Afrika en Azië nog hoger.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuid-Europa met het zwaartepunt op het Iberisch Schiereiland, verder Zuid-Frankrijk, Italië, de Balkan, Turkije en de Kaukasus, en oostwaarts door Centraal-Azië tot Mongolië; daarnaast broedt een aparte populatie in zuidelijk Afrika, zodat het areaal ver buiten het kaartgebied reikt. De Europese vogels steken in september en oktober bij Gibraltar en de Bosporus over en overwinteren in de Sahel en verder zuidelijk, al blijven in Zuidwest-Spanje en Portugal enkele honderden de winter over. In Nederland zijn ruim zestig gevallen aanvaard, alle van na 1992, vrijwel steeds tussen eind april en half oktober, en van zowel de lichte als de donkere vorm.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Mei en juni, tussen tien en twee uur, wanneer de thermiek de vogels boven het kronendak brengt: Monfragüe, de Sierra de Gredos en de dehesas van Extremadura leveren dan vaak meerdere vogels tegelijk in de lucht, met daarbij de golvende baltsvlucht van het mannetje. Wie de trek wil zien, gaat eind augustus tot begin oktober naar Cazalla of de Mirador del Estrecho boven Tarifa, waar de dwergarend een van de talrijkste overstekende roofvogels is; tel daar meteen het aandeel donkere vogels, dat in Iberië rond een kwart ligt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Spanje met enkele duizenden paren de talrijkste arend van het land. De Europese stand geldt als stabiel tot licht toenemend, maar plaatselijk loopt het aantal paren terug door het kappen van oude nestbomen, verstoring in het broedbos in april en mei, illegaal afschot en het verlies van open jachtgebied door dichtgroeiende akkers en intensieve landbouw. Elektrocutie en aanvaringen met windturbines eisen minder slachtoffers dan bij de havikarend, maar wegen langs de nauwe trekroutes bij Gibraltar wel mee. De soort werd een tijdlang als Aquila pennata gevoerd en wordt in de meeste lijsten weer in het geslacht Hieraaetus geplaatst.




