Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Schreeuwarend
Schreeuwarend | Clanga pomarina
Lesser spotted eagle | Águila pomerana
De schreeuwarend is de arend van het natte hooiland: een middelgrote roofvogel die van de Baltische staten tot de Balkan in oud loofbos nestelt en zijn voedsel te voet zoekt in de weilanden ernaast. Zijn naam dankt hij aan de blaffende roep waarmee hij boven zijn territorium van zich laat horen. Samen met de bastaardarend vormt hij de lastigste determinatiepuzzel onder de Europese roofvogels.
Geluid
Aan deze roep dankt de soort haar naam. Boven het territorium klinkt een ver dragend, hondachtig blaffend tjuk … tjuk … tjuk, hoog en scherp en in series van drie tot acht, met de klemtoon op elke lettergreep; van dichtbij klinkt het eerder als jup of jèk. In de golvende baltsvlucht komt daar een langgerekt, fluitend wiiiek bij. Het meest te horen van eind april tot in juni, rond de horst en boven het jachtterrein; op trek zwijgt de soort vrijwel volledig, zodat wie er honderden ziet passeren er geen enkele hoort.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter dan een buizerd en veel slanker gebouwd dan de grote arenden: 55 tot 67 cm lang, met een spanwijdte van 145 tot 168 cm. Vrouwtjes zijn met 1300 tot 2200 gram duidelijk zwaarder dan mannetjes van 1000 tot 1400 gram; in het veld levert dat bij een paar een zichtbaar formaatverschil op. In de zweefvlucht worden de vleugels vlak of in een heel flauwe V gehouden, in de glijvlucht hangt de hand merkbaar naar beneden zodat de vleugel gebogen oogt. Let op de verhouding tussen hand en arm: de armpennen vormen een smalle arm die niet breder is dan de hand, waardoor de vleugel over zijn hele lengte ongeveer even breed blijft, en de achterrand loopt daarbij vrijwel recht en evenwijdig aan de voorrand, zonder bolling ter hoogte van de armpennen. Zes handpennen zijn ingesneden en de hand is betrekkelijk lang, zodat de vogel lichter en wendbaarder oogt dan zijn maat doet vermoeden. De adult is licht koffiebruin, met een kop en bovenvleugeldekveren die bleker zijn dan de donkere slagpennen, en met een lichte baan over de grote dekveren. Onder is het contrast het belangrijkste kenmerk: de ondervleugeldekveren zijn lichter dan de slagpennen, zodat de vleugel tweekleurig oogt met een bleke voorhelft tegen een donkere achterhelft. Aan de basis van de binnenste handpennen staat een bleke, wat vage wig — het vingerkootje — en samen met de lichte polsstreek levert dat het beeld van twee lichte halve manen op. Boven de staart blijft een smalle, wittige V of ondiepe U over de stuit op afstand zichtbaar. Van dichtbij zie je een betrekkelijk smalle snavel met een klein, langwerpig ovaal neusgat en een gele mondhoek die tot ongeveer halverwege het oog reikt. Jonge vogels zijn donkerder chocoladebruin met een opvallende okerkleurige nekvlek, één rij kleine witte druppelvlekken langs de punten van de grote dekveren en een dunne witte achterrand aan vleugel en staart.
Verwarringssoorten
De bastaardarend is de enige echte verwarringssoort, en de kenmerken werken alleen als je ze samen afwerkt. Bouw: de bastaardarend is groter en zwaarder, met een arm die duidelijk breder is dan de hand, zodat de vleugel het breedst is over de armpennen en de achterrand daar merkbaar bolt; bij de schreeuwarend blijven hand en arm ongeveer even breed en loopt die achterrand recht. Het klassieke omkeerkenmerk zit onder de vleugel: bij de schreeuwarend zijn de ondervleugeldekveren líchter dan de slagpennen, bij de bastaardarend juist dónkerder, zodat daar de grijs gebandeerde slagpennen als het lichtste deel van de vleugel overblijven. De lichte handpenvlek verschilt in aantal en plaatsing: de schreeuwarend heeft een vage bleke wig aan de basis van de bínnenste handpennen die met de lichte polsstreek een dubbele halve maan vormt, terwijl de bastaardarend één scherp begrensde witte komma aan de basis van de bùitenste handpennen draagt en verder een ongetekende hand houdt. De witte stuit is bij de bastaardarend een brede, zuiver witte U, bij de schreeuwarend eerder een smalle wig of V. Van dichtbij: het neusgat van de schreeuwarend is langwerpig ovaal, dat van de bastaardarend rond, en de snavel van de bastaardarend is merkbaar breder en zwaarder met een grotere gele mondhoek. In het jeugdkleed heeft de schreeuwarend een warme okerkleurige nekvlek en één rij kleine witte druppelvlekken op de grote dekveren; de jonge bastaardarend is bijna zwartbruin, mist die nekvlek en draagt meerdere rijen grote witte druppelvlekken over dekveren en schouderveren. Daar hoort een eerlijke kanttekening bij: de twee kruisen in Oost-Europa, van Oost-Polen en de Baltische staten tot West-Rusland en zuidwaarts naar de Zwarte Zee. Gemengde paren — meestal een bastaardarendvrouwtje met een schreeuwarendmannetje — leveren tussenvormen op die precies tussen beide ouders in zitten en die vruchtbaar zijn; in Estland bleek ongeveer acht procent van de onderzochte nestjongen zo'n tussenvorm. Een deel van de vogels in het veld is daardoor niet met zekerheid te benoemen, en dat ligt niet aan de waarnemer. Verder: de buizerd is kleiner en compacter met een kortere brede staart en donkere polsvlekken en zweeft met de vleugels in een ondiepe V; de steppearend is groter en logger en heeft een gele mondhoek die tot achter het oog doorloopt; de wespendief heeft een kleinere kop op een langere hals en een langere staart met twee smalle basisbanden en één brede eindband.
Leefgebied
Oud loof- en gemengd bos in het laagland voor de horst — vaak een betrekkelijk klein bosperceel met hoge beuken, eiken of elzen — direct grenzend aan open, vochtig cultuurland. Foerageert in natte en vochtige graslanden, hooiland, moerassige laagten, akkerranden en pas gemaaide percelen, en doet dat opvallend vaak te voet: de vogel loopt met kleine passen door het gras en pakt kikkers, muizen, mollen, jonge vogels en grote insecten. Het samengaan van een rustig bos en onbemest, kruidenrijk nat grasland is de sleutel; waar de weilanden gedraineerd of in maïs omgezet worden, verdwijnt de soort uit het bos ernaast.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Oost-Europa: van Noordoost-Duitsland, Polen en de Baltische staten oostwaarts tot West-Rusland, en zuidwaarts via Slowakije, Hongarije en Roemenië tot de Balkan, Turkije, de Kaukasus en Noord-Iran. De Europese broedpopulatie wordt op ruwweg veertien- tot negentienduizend paren geschat, met het zwaartepunt in Belarus, Letland, Polen en Roemenië; de Duitse voorpost in Mecklenburg-Voor-Pommeren en Brandenburg telt nog maar rond de honderd paren. Vrijwel de hele populatie trekt in september over de Bosporus en het Midden-Oosten naar oostelijk en zuidelijk Afrika; bij de Bosporus zijn in één najaar maximaal 18.900 vogels geteld, en bij Kefar Kassem in Israël ruim honderdduizend. In Nederland is het een zeldzame doortrekker met hooguit enkele waarnemingen per jaar, en in Spanje een uitzonderlijke dwaalgast.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Voor een zittende of jagende vogel: Noordoost-Polen in mei of juni — de Biebrza-vallei of de omgeving van Białowieża — aan het eind van de ochtend, wanneer de vogels boven de hooilanden gaan cirkelen; ook Oost-Slowakije, de Roemeense Karpaten en de Letse bossen leveren betrouwbaar waarnemingen op. Voor aantallen moet je naar de trekbanen: de Bosporus bij Istanbul in de tweede helft van september, of Batumi aan de Georgische Zwarte-Zeekust eind september en begin oktober, waar de vogels langs de kust tussen bergen en zee worden samengeperst. Ga daar vroeg op de ochtend op de hellingen staan en let bij elke arend eerst op de tweekleurige ondervleugel, en pas daarna op formaat.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), en de Europese populatie is het afgelopen decennium ongeveer stabiel gebleven. Regionaal is het beeld minder gunstig: de kleine Duitse populatie staat nationaal te boek als van uitsterven bedreigd. De belangrijkste knelpunten zijn het draineren en scheuren van natte graslanden, de omzetting van hooiland in maïs en koolzaad, bosbouw en houtoogst bij horstbomen in het voorjaar, aanvaringen met windturbines in het broedgebied en illegaal afschot langs de trekroute. Omdat een paar door broedermoord vrijwel altijd maar één jong grootbrengt, herstelt een verlies zich traag.




