Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Bastaardarend

Bastaardarend | Clanga clanga

Greater spotted eagle | Águila moteada

De bastaardarend is de donkerste en veruit de zeldzaamste van het tweetal: een zware, kortstaartige arend van moerassige laaglandbossen in Oost-Europa en Rusland. In Europa zijn er nog geen duizend paren over, en op de weinige plekken waar hij nog broedt kruist hij met de veel talrijker schreeuwarend. Zijn Nederlandse naam is ouder dan de kennis over die kruising, maar past er achteraf verrassend goed bij.

Bastaardarend (Clanga clanga)
Foto: Вых Пыхманн — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Blaffend als bij de schreeuwarend, maar lager, korter en grover: een hees tjek of kjak, meestal in groepjes van drie, dat eerder aan een kleine hond doet denken dan aan de hoge, doordringende serie van de verwante soort. Bij verstoring van de horst klinkt datzelfde geblaf sneller en dringender. Buiten de broedtijd is de soort zwijgzaam; overwinterende vogels aan de moerasrand of op een vuilstort geven hooguit een kort gekras als ze elkaar van het aas verjagen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Groter en zwaarder gebouwd dan de schreeuwarend: 59 tot 74 cm lang, met een spanwijdte van 155 tot 185 cm. Het gewicht loopt van ongeveer 1500 gram bij mannetjes tot 3250 gram bij grote vrouwtjes, die daarmee bijna het dubbele van een mannetje kunnen wegen. De vleugels zijn lang en breed en worden in de zweefvlucht vlak gehouden; in de glijvlucht hangt de hand naar beneden. De verhouding tussen hand en arm is het beste bouwkenmerk: de armpennen vormen een brede arm, breder dan de hand, zodat de vleugel het breedst is over de armpennen en de achterrand daar gelijkmatig bolt in plaats van recht te lopen. De hand oogt daardoor kort en stomp, en de staart is kort en aan het eind vrijwel recht afgesneden. De adult is vrijwel egaal donker chocoladebruin tot bijna zwartbruin, zonder lichte kop en zonder nekvlek. Onder is het contrast het omgekeerde van dat bij de schreeuwarend: de ondervleugeldekveren zijn even donker als of donkerder dan de slagpennen, zodat juist de grijs gebandeerde slagpennen als het lichtste deel van de vleugel overblijven. Aan de basis van de buitenste handpennen staat één scherp begrensde witte komma of halve maan — het vingerkootje — klein maar opvallend tegen al dat donker; verder is de hand ongetekend, en op de bovenvleugel blijft hooguit een vaag bleek veldje op dezelfde plaats over. Boven de staart tekent zich een brede, duidelijke witte U over de stuit af. Van dichtbij is de snavel breed en zwaar met een grote gele mondhoek, en is het neusgat rond in plaats van langwerpig ovaal. Jonge vogels zijn nog donkerder dan de adulten, bijna zwart, met rijen grote witte druppelvlekken over de bovenvleugeldekveren en schouderveren en witte punten aan armpennen en staart; dat is het sterkst getekende kleed van de soort. Een lichte kleurvariant, fulvescens, met roomkleurig lijf en dekveren tegen donkere slagpennen, komt vooral in het oosten van het areaal voor.

Verwarrings­soorten

De schreeuwarend is de enige echte verwarringssoort, en de kenmerken werken alleen als je ze samen afwerkt. Bouw: de schreeuwarend is kleiner en lichter, met hand en arm van ongeveer gelijke breedte, zodat de vleugel over de hele lengte even breed blijft en de achterrand recht en evenwijdig aan de voorrand loopt; bij de bastaardarend is de arm breder dan de hand en bolt die achterrand merkbaar. Het klassieke omkeerkenmerk zit onder de vleugel: bij de bastaardarend zijn de ondervleugeldekveren dónkerder dan de slagpennen, bij de schreeuwarend juist líchter, zodat die laatste een tweekleurige vleugel met bleke voorhelft toont. De lichte handpenvlek verschilt in aantal en plaatsing: de bastaardarend heeft één scherp begrensde witte komma aan de basis van de bùitenste handpennen en verder niets, terwijl de schreeuwarend een vage bleke wig aan de basis van de bínnenste handpennen draagt die met de lichte polsstreek een dubbele halve maan vormt. De witte stuit is bij de bastaardarend een brede, zuiver witte U, bij de schreeuwarend een smallere wig of V. Van dichtbij: het neusgat van de bastaardarend is rond, dat van de schreeuwarend langwerpig ovaal, en de snavel van de bastaardarend is merkbaar breder en zwaarder met een grotere gele mondhoek. In het jeugdkleed is de bastaardarend bijna zwartbruin met meerdere rijen grote witte druppelvlekken over dekveren en schouderveren en zonder nekvlek; de jonge schreeuwarend is warmer bruin, heeft een opvallende okerkleurige nekvlek en maar één rij kleine witte druppels. Daar hoort een eerlijke kanttekening bij: de twee kruisen in Oost-Europa, van Oost-Polen en de Baltische staten tot West-Rusland en zuidwaarts naar de Zwarte Zee. Gemengde paren — meestal een bastaardarendvrouwtje met een schreeuwarendmannetje — leveren vruchtbare tussenvormen op die precies tussen beide ouders in zitten; in Estland bleek ongeveer acht procent van de onderzochte nestjongen zo'n tussenvorm, en in sommige gebieden zijn de gemengde paren inmiddels in de meerderheid. Een deel van de vogels in het veld is daardoor niet met zekerheid te benoemen, en dat ligt niet aan de waarnemer. Verder: de steppearend is groter en logger, heeft een gele mondhoek die tot achter het oog doorloopt en als jonge vogel één brede witte band over de dekveren in plaats van rijen druppels; de keizerarend heeft kleine witte schoudervlekjes, een lichte kruin en nek en een langere staart; een donkere bruine kiekendief is veel slanker en lichter gebouwd, zweeft met de vleugels in een duidelijke V en heeft een lichte kruin en keel.

Leefgebied

Uitgestrekte natte laaglandbossen: ooibos langs grote rivieren, elzenbroek en moerasbos, altijd grenzend aan open water en open moeras. Foerageert in riet- en zeggevelden, laagveen, natte graslanden, langs oevers en boven ondiepe meren en vloedvlakten, en jaagt daar op woelmuizen, kikkers, watervogels, vis en jonge steltlopers. Buiten de broedtijd is de soort minder kieskeurig en verschijnt ze bij lagunes, viskwekerijen, stuwmeren, rijstvelden en vuilstortplaatsen, waar aas een belangrijk deel van het dieet uitmaakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Oost-Polen, Belarus en de Baltische staten oostwaarts door Rusland tot Siberië en Noord-China; alleen de westelijke rand van dat areaal ligt in Europa. Daar gaat het nog om minder dan duizend paren: naar schatting zes- tot achthonderd in het Russische Wolgagebied, honderdtwintig tot honderdzestig in Belarus, ongeveer veertig in Oekraïne, hooguit vijftien in Noordoost-Polen en in Estland nog maar een handvol territoria, tegen dertig aan het eind van de vorige eeuw. Overwintert rond de Middellandse Zee en in het Midden-Oosten — Griekenland, Turkije, Israël, Egypte, Irak — en verder in Iran, India en Zuidoost-Azië. In Nederland een zeldzame dwaalgast met een handvol aanvaarde gevallen, in Spanje eveneens uitzonderlijk zeldzaam.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans in Europa is een overwinterende vogel, en dan in Griekenland: het Kerkinimeer of de Evrosdelta in december en januari, waar jaarlijks enkele vogels blijven hangen en vaak lang op een dode boom of een dijk zitten, zodat je snavelbreedte en neusgatvorm werkelijk kunt beoordelen. Ook de Donaudelta in Roemenië en het Hulameer in Israël leveren winterwaarnemingen op. In het broedseizoen is de Biebrza in Noordoost-Polen de klassieke plek, maar reken op geduld en op de kans dat de vogel die je ziet een tussenvorm blijkt. Op trek passeert de soort de Bosporus en Batumi in kleine aantallen tussen de duizenden schreeuwarenden; scan daar geduldig op de donkerste vogel met de brede arm.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar volgens de IUCN (Vulnerable). De soort is uit vrijwel haar hele vroegere West- en Midden-Europese areaal verdwenen en de resterende populaties zijn klein en nemen af. De belangrijkste oorzaken zijn het droogleggen van moerassen en ooibossen, het kanaliseren van rivieren, houtkap in broedbossen, verstoring, illegaal afschot langs de trekroute en vergiftiging via aas. Daar komt een probleem bij dat weinig andere roofvogels kennen: door de kruising met de veel talrijker schreeuwarend worden vrijgekomen territoria opgevuld door gemengde paren, waarna zuivere bastaardarenden lokaal geheel verdwijnen. In Estland is die opeenvolging over zestien jaar stap voor stap gedocumenteerd.