Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Spaanse keizerarend
Spaanse keizerarend | Aquila adalberti
Spanish eagle | Águila imperial ibérica
De spaanse keizerarend broedt nergens anders ter wereld dan in het midden en zuidwesten van het Iberisch schiereiland. Hij is de arend van het mediterrane bos en de dehesa, en zijn herstel — van veertig paren in de jaren zeventig tot ruim achthonderd nu — is het grootste succes van de Spaanse natuurbescherming. Sinds 1996 wordt hij als aparte soort behandeld, los van de keizerarend.
Geluid
Zoals alle grote arenden laat hij buiten het nest weinig horen, en wie er een ziet zeilen hoort meestal niets. In het territorium en vooral van januari tot maart klinkt een droog, herhaald blaffend gwak-gwak-gwak, lager en hese dan de roep van de steenarend, en soms een nasaal kra-kra als de partners elkaar achtervolgen. Jongen bedelen in juni en juli met een schor, eentonig gefluit vanaf de horst, en dat geluid verraadt een nestplaats vaak veel eerder dan het zicht.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en zwaar, met lange, brede vleugels met vrijwel evenwijdige randen die in de zweefvlucht volkomen vlak worden gehouden, nooit in een V, en die bij het lijf even breed blijven als in het midden. De kop en hals steken ver naar voren en de staart is kort, recht afgesneden en korter dan de vleugelbreedte. De zes buitenste handpennen zijn diep ingesneden en vormen een lange hand; op het exacte aantal vingers moet je niet varen, want rui en slijtage veranderen dat, wel op het silhouet. De adulte vogel is zeer donker zwartbruin, met een lichte, roomwitte kruin en nek die scherp afsteken, en vooral met een zuiver witte band die over de voorrand van de binnenvleugel loopt, van de schouderveren helemaal door tot aan de vleugelboeg: die doorlopende schoudervlek, van grote afstand zichtbaar en zowel zittend als vliegend, heeft geen enkele andere arend. De staart is grijs met een brede zwarte eindband, de was en de snavelbasis zijn geel. De vogel van het eerste jaar is egaal roodbruin geelbruin zonder strepen, met donkere slagpennen, een lichte stuitband en een scherp contrast tussen het lichte lijf en de donkere vleugel.
Verwarringssoorten
De steenarend is de meest gemaakte vergissing: die zweeft met de vleugels in een ondiepe V, heeft aan de basis versmalde vleugels, een lange en aan het eind licht afgeronde staart, een kop die minder ver uitsteekt en een goudgele nek in plaats van een roomwitte kruin, en hij heeft nooit een witte schoudervlek; zijn juveniel draagt scherp afgetekende witte vlekken in de handbasis en een witte staartbasis met brede zwarte eindband, tekening die de jonge spaanse keizerarend mist. De keizerarend komt niet op het schiereiland voor: bij hem is het wit op de schouder beperkt tot enkele losse gevlekte plekjes op de schouderveren, nooit een doorlopende band tot aan de vleugelboeg, is de nek okergeel in plaats van roomwit, en is de juveniel okerkleurig met zware donkere streping op borst en mantel. De steppearend, hier hoogst zeldzaam, heeft geen wit op de schouder, een gele mondhoek die tot achter het oog doorloopt en als jonge vogel een brede, gave witte band over de vleugeldekveren. De zeearend, af en toe in het noorden, heeft nog bredere rechthoekige vleugels en een korte wigvormige staart. Over de leeftijden: de egaal roodbruine vogel van het eerste jaar en de volledig uitgekleurde adult zijn met zekerheid op naam te brengen, maar tussen het tweede en het vijfde jaar breekt het kleed open tot een onregelmatig mozaïek van kaneelbruin en donkerbruin, komt de schoudervlek stukje bij beetje door en zijn veel vogels alleen nog aan bouw, vlakke vleugelhouding en plaats te herkennen; het volledige adulte kleed is er pas na vijf tot zes jaar, soms later.
Leefgebied
Goed ontwikkeld mediterraan bos op vlaktes en lage sierra's: dehesa's van steeneik en kurkeik, steeneikenbos en hoog struweel van mastiek, cistus en bremstruiken, afgewisseld met graslanden en open plekken om te jagen. Ook de dennenbossen aan de zuidkant van het Sistema Central en, in Doñana, struweelrug naast de marisma. De soort heeft grote bomen nodig voor de horst, veel open ruimte en vooral konijnen: hij is bijna geheel van het wilde konijn afhankelijk en zijn dichtheid volgt de konijnenstand nauwgezet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Endemisch op het Iberisch schiereiland. De telling van 2022 kwam uit op 841 broedparen, 821 in Spanje en zo'n 20 in Portugal, tegen 536 in 2017 en 39 in 1974. Het zwaartepunt ligt in Castilla-La Mancha met bijna de helft van de paren, gevolgd door Andalusië, Castilla y León, Madrid en Extremadura, en de laatste jaren zijn provincies als Granada, Cuenca en Palencia opnieuw bezet. Jonge vogels zwerven over het Guadalquivirdal, de graanvlaktes en Noord-Marokko voordat ze dicht bij hun geboorteplaats gaan broeden. Nederland ligt ver buiten het bereik; wie hem wil zien moet naar Spanje of Portugal.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sierra de Andújar, Monfragüe, de omgeving van Cabañeros of de rand van Doñana, tussen januari en maart, midden op de ochtend, wanneer de paren boven hun territorium baltsvluchten maken en het gewas nog laag staat. Ga op een hoog uitkijkpunt boven een dehesavallei staan met de zon in de rug en zoek eerst de uitstekende bomen en de palen af: zittend zie je de witte schoudervlek beter dan in vlucht. De weg naar La Lancha bij Andújar en de Tiétar-uitkijkpunten in Monfragüe zijn de zekerste plekken.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar volgens de IUCN (Vulnerable), met een kleine populatie die van voortdurend beheer afhankelijk blijft. Tot 2011 stond de soort als Bedreigd te boek en het herstel rust op drie pijlers: het veilig maken van gevaarlijke elektriciteitsmasten, de bestrijding van illegale vergiftiging en het opkrikken van de konijnenstand. Elektrocutie aan middenspanningsmasten is nog altijd de belangrijkste onnatuurlijke doodsoorzaak, gevolgd door vergiftigd aas en afschot; konijnenziekten als myxomatose en het hemorragisch virus laten de jongenproductie periodiek instorten, en de aanleg van energie-infrastructuur versnippert het leefgebied.




