Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Kleine karekiet
Kleine karekiet
Acrocephalus scirpaceus | Eurasian reed warbler | Carricero común
De stem van elke Nederlandse rietkraag in juni: een traag, hakkelend karre-karre-kiet-kiet dat uren achtereen doorgaat, terwijl de zanger zelf een onopvallend, effen bruin vogeltje is dat in spagaat tussen twee verticale rietstengels hangt.
Geluid
De zang is traag, laag, monotoon en krassend, en is opgebouwd uit korte motieven die elk twee tot vier keer worden herhaald: karre-karre-kiet-kiet, tjerk-tjerk-tjerk, kerre-kerre-kiet, in een gelijkmatig, bijna slaperig tempo dat minuten- tot urenlang doorgaat, ook midden op de dag en 's nachts. Er zitten weinig imitaties in en de strofe versnelt niet en eindigt niet met een climax — precies het omgekeerde van de bosrietzanger. Te horen van begin mei tot in augustus. Roep: een laag, kort tsjerr en bij onraad een hard, herhaald tsjek. In de winterkwartieren zingt hij zacht door.
Opname: Borja — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Van boven effen warm bruin zonder enige streping, met een duidelijk warmere, roestbruine stuit die tegen de mantel afsteekt — het beste kenmerk zodra hij wegvliegt. Het voorhoofd is vlak en loopt geleidelijk af, waardoor de kop langgerekt en spits lijkt, met een lange, dunne, puntige snavel; de lichte wenkbrauwstreep is kort, vaag en houdt vlak achter het oog op. Onderdelen vuilwit met okerbruine flanken. Poten grijsbruin tot loodkleurig, ook de tenen. De handpenprojectie is kort tot matig, ongeveer twee derde van het zichtbare deel van de armpennen, met een stuk of zes handpentoppen.
Verwarringssoorten
Bosrietzanger is de klassieke tweeling en de reden dat je op details moet letten. De zang beslist het snelst: kleine karekiet traag, laag, krassend en met eindeloos herhaalde motieven, bosrietzanger snel, hoog, muzikaal en vol imitaties. Verder: poten grijsbruin tot lood tegenover bleek vleeskleurig, handpenprojectie kort tegenover lang, stuit warm roestbruin tegenover flets olijfbruin, voorhoofd vlak aflopend tegenover steil, en riet boven water tegenover ruigte en struweel op het land. Rietzanger en waterrietzanger zijn gestreept op mantel en kruin en hebben een brede lichte wenkbrauwstreep. De grote karekiet is fors, met een zware snavel, een duidelijke wenkbrauwstreep en een veel luidere, tragere zang.
Leefgebied
Rietkragen die in het water staan — dat is de regel. Smalle rietstroken langs sloten, kanalen, plassen en rivieren, brede rietvlaktes, rietkragen in duinen en stadswater, en in het zuiden ook lisdodde en rijstvelden. Het nest is een diepe korf die om drie of vier verticale rietstengels wordt geweven, boven het water; het is het meest gebruikte koekoeksnest van Europa. Buiten de broedtijd ook in struweel, wilgenopslag en tuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Ierland tot in West-Siberië. In Nederland een van de talrijkste moerasvogels, met ruim honderdduizend paren, aanwezig van eind april tot in september en de belangrijkste gastheer van de koekoek in rietland. In Spanje broedt hij overal waar riet staat, van de Ebrodelta en de Albufera tot rivierbeddingen in Andalusië, en in augustus en september komen daar grote aantallen Noord-Europese doortrekkers bij die er vet aanmaken voor de oversteek naar de Sahel.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Juni, de hele dag door, langs een rietsloot: hij zingt vrijwel onafgebroken. Zoek de vogel die tussen twee verticale stengels in spagaat omhoog klimt en kijk bij de eerste blik naar poten en stuit, want dat zijn de kenmerken die de bosrietzanger uitsluiten. Voor het onderscheid is een avond in de eerste week van juni het leerzaamst: dan zingen beide soorten in hetzelfde landschap, de een in het riet boven water, de ander in de brandnetels ernaast.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in Europa stabiel tot toenemend; in Nederland profiteert de soort van natuurontwikkeling en de aanleg van moerassen, al kosten het verdwijnen van overjarig riet en een te strak, verstard waterpeil lokaal nesten. Als langeafstandstrekker is hij gevoelig voor droogte in de Sahel en voor het verlies van rietmoeras langs de trekroute, en op grote schaal ook voor het leeglopen van moerassen in Zuid-Europa.


