Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Kleine torenvalk
Kleine torenvalk | Falco naumanni
Lesser kestrel | Cernícalo primilla
Een klein, luidruchtig valkje dat het liefst met tientallen tegelijk boven een dorp cirkelt en vrijwel alleen op insecten jaagt. In Zuid-Europa hoort hij bij de kerktoren en de oude stadsmuur zoals de gierzwaluw, en zijn schetterende geroep vult daar de hele zomer de lucht.
Geluid
Veel luidruchtiger dan de torenvalk en de hele zomer te horen bij de kolonie: een schor, ratelend tsjè-tsjè-tsjè, lager en rauwer dan het schelle kie-kie-kie van de torenvalk, meestal van tientallen vogels tegelijk boven de daken. Rond het uitvliegen in juni is de herrie boven een dorpskern het grootst; de vogels roepen ook 's avonds nog bij de gezamenlijke slaapplaats.
Opname: Bubulcus — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Iets kleiner en compacter dan een torenvalk, met kortere, spitsere vleugels en een kortere staart die niet afgerond maar wigvormig eindigt doordat de middelste staartpennen uitsteken. Het mannetje is de herkenbare vogel: de rug is egaal roestbruin en mist de zwarte vlekjes van de torenvalk, over de grote vleugeldekveren ligt een blauwgrijs paneel, de kop is bleek blauwgrijs en vrijwel zonder baardstreep, en de onderdelen zijn licht okerkleurig met een spaarzame stippeling. Van heel dichtbij zijn de nagels wit in plaats van zwart. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn bruin en gebandeerd en lijken sterk op een torenvalk; bij hen moet je het hebben van de bouw, de wigvormige staart, de bleke kop en de roep. Hij bidt korter en losser dan de torenvalk en jaagt veel zwevend, in groepjes en dicht bij de kolonie.
Verwarringssoorten
Torenvalk is in de praktijk de enige verwarringssoort. Die is groter en langer van staart, met een aan het eind afgeronde staart, een duidelijke donkere baardstreep en zwarte nagels; bij het mannetje is de roestbruine rug bezaaid met zwarte vlekjes en ontbreekt het blauwgrijze vleugelpaneel. De torenvalk bidt langdurig en stabiel boven één plek en is meestal alleen of met zijn tweeën, terwijl de kleine torenvalk vrijwel altijd in gezelschap vliegt en boven de daken van een dorp slaapt. Vrouwtjes zijn op kleed nauwelijks te scheiden: let dan op de kortere wigstaart, de bleekere kop, de snellere vleugelslag en het schorre geroep. Boomvalk is donkerder, veel scherper gestreept en langer van vleugel, en bidt nooit.
Leefgebied
Steppe, droge graslanden, luzerne, stoppelvelden en extensief bewerkt akkerland, en in Iberië ook de open eikenweide van de dehesa. Daar jaagt hij laag en zwevend op sprinkhanen, kevers en veenmollen, vaak in groepjes en het liefst in de warmste uren. Voor het nest is hij aangewezen op holtes in oude gebouwen — kerktorens, burchten, dakpannen, ruïnes — en op rotswanden, waar hij zonder nestmateriaal in kolonies van tien tot enkele honderden paren broedt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Portugal en Spanje door het Middellandse-Zeegebied en de Balkan oostwaarts tot Centraal-Azië, China en Mongolië. De westelijke vogels overwinteren in de Sahel, de oostelijke in zuidelijk Afrika. Spanje herbergt met zo'n twintigduizend paren verreweg het grootste deel van de Europese populatie, met de kern in Extremadura, Andalusië en Castilië. In Nederland en Groot-Brittannië is het een dwaalgast met slechts enkele gevallen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
April tot juni in Extremadura, Andalusië, La Mancha of Zuid-Italië. Ga bij de eerste zon naar het plein van een dorp met een oude kerk, een burcht of een stadsmuur en kijk omhoog: de vogels vliegen af en aan naar de dakholtes en roepen onophoudelijk. Zoek daarna in het graanland eromheen een jagende vogel en let bij het mannetje op de ongevlekte rug en het blauwgrijze vleugelpaneel; bij een vrouwtje geeft de korte wigstaart de doorslag.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort stond lang als Kwetsbaar te boek na een ineenstorting in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen het omzetten van steppe in geïrrigeerd bouwland, het verlies aan grote insecten door insecticiden en de restauratie van torens en daken tegelijk toesloegen. Sinds de aantallen in Spanje en Italië zich hebben hersteld — mede door nestkasten, nestpannen en restauraties waarbij holtes gespaard blijven — geldt de lagere categorie, maar de soort blijft gebonden aan insectenrijk, extensief boerenland dicht bij zijn kolonies.


