Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Kramsvogel
Kramsvogel
Turdus pilaris | Fieldfare | Zorzal real
De kramsvogel is de luidruchtigste lijster van de Nederlandse winter: schetterende troepen die van de ene meidoornhaag naar de andere golven en zich op een weiland verspreiden alsof ze het gebied verdelen. Als broedvogel is hij hier juist bijna verdwenen, terwijl hij in Scandinavië losse kolonies vormt.
Geluid
Onmiskenbaar luidruchtig: een hard, schetterend en licht schor tsjak-tsjak-tsjak, dat als een ratel over het weiland gaat zodra een troep opvliegt of een sperwer passeert. Daarnaast een langgerekt, klagend siiih op trek en in de schemering. De zang is een teleurstellend, onsamenhangend gekwetter en gekras zonder duidelijke strofe, meestal in de vlucht boven de kolonie of vanaf een boomtop, van april tot juni.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot en fors, met de meest contrastrijke tekening van alle lijsters: een blauwgrijze kop en een even grijze stuit, daartussen een warm kastanjebruine mantel, en een zwarte staart. De borst is diep okergeel met zware zwarte vlekken die op de flanken samenvloeien tot pijlpunten. In vlucht is de combinatie beslissend: sneeuwwitte ondervleugel en witte oksels tegen een donkere bovenvleugel, met de lichtgrijze stuit die tegen de zwarte staart afsteekt. De snavel is geel met een donkere punt. Geslachten vrijwel gelijk.
Verwarringssoorten
Grote lijster is de enige echte verwarringssoort en lijkt in vlucht sterk op hem door dezelfde witte ondervleugel. Maar de grote lijster is egaal grijsbruin zonder grijze kop, zonder kastanjebruine mantel en zonder zwarte staart; hij heeft juist witte staartpunten en een lichte, niet grijze stuit, en zijn roep is een droge ratel in plaats van een schetterend gekras. Merel is egaal zwart of bruin en mist alle contrast; zanglijster is veel kleiner en warmer bruin.
Leefgebied
Broedt in berkenbos, parkachtig cultuurland en boomgroepen bij boerderijen, in Scandinavië tot in de bergberkenzone. In de winter in halfopen boerenland: vochtige weilanden, akkers met stoppels, meidoorn- en sleedoornhagen, boomgaarden met liggend fruit en, bij vorst, hulst- en klimopbessen in dorpstuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord- en Midden-Europa, met de grens in Nederland: hier broeden nog maar enkele tientallen paren, na een piek van achthonderd tot negenhonderd paren in de jaren tachtig. Als wintergast is hij daarentegen zeer talrijk, met honderdduizenden vogels uit Scandinavië en Rusland van oktober tot april. In Spanje is de kramsvogel een onregelmatige wintergast die vooral in koude winters in het noorden en op de hoogvlakten opduikt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in november of december langs vochtig grasland met oude meidoornhagen — Achterhoek, Twente, Zuid-Limburg of de Gelderse Poort — en zoek het gekras op. De troepen zijn schuw: blijf in de auto en scan de haag. Bij invallende vorst verschuiven ze naar boomgaarden met liggende appels, en dan zitten ze op tien meter afstand doodstil; dat is het moment voor de kastanjebruine mantel en de grijze stuit.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, want de wereldpopulatie is groot, maar de Europese trend wijst omlaag en het areaal schuift oostwaarts terug. Nederland en Duitsland verloren het grootste deel van hun broedvogels binnen twee decennia, zonder dat duidelijk is waarom; verlies van vochtig grasland, minder regenwormen en veranderende winters worden genoemd. De aantallen overwinteraars schommelen sterk van jaar tot jaar en volgen vooral de bessenoogst in het noorden.




