Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Beflijster
Beflijster
Turdus torquatus | Ring ouzel | Mirlo capiblanco
De beflijster is de bergmerel van Europa: een schuwe, snelle lijster van steenhellingen, alpenweiden en jeneverbesstruweel boven de boomgrens. In Nederland zie je hem twee korte periodes per jaar, wanneer hij op doortrek in kale duinvalleien en op heideveldjes neerstrijkt.
Geluid
De zang is verrassend eenvoudig voor een lijster: drie tot vier heldere, ver dragende en licht weemoedige fluittonen op dezelfde toonhoogte, tjuu … tjuu … tjuu, met lange stiltes ertussen, afgesloten met een zacht, schrapend gebabbel dat je alleen van dichtbij hoort. In het hooggebergte draagt die fluit over een heel dal en klinkt hij vanaf een rots of een enkele lariks, vooral bij zonsopgang. De roep is een hard, houtig tak-tak-tak, sneller en droger dan dat van de merel, en een schor tsjrrr.
Opname: Anthony Wetherhill — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Formaat en vorm van een merel, maar slanker, met langere vleugels en een snellere, meer gedreven vlucht. Het mannetje is dofzwart met een brede, scherp afgetekende witte halvemaan over de borst. Bij het vrouwtje is die bef smaller, vuilwit tot beige, en het verenkleed bruiner. Het beslissende kenmerk op afstand is de vleugel: door lichte veerzomen oogt het vleugelpaneel duidelijk zilvergrijs en schubbig, veel bleker dan de rest van het lichaam, ook wanneer de bef niet te zien is. Snavel geel met donkere punt. Eerstejaars najaarsvogels hebben nauwelijks bef, maar wel al dat bleke vleugelpaneel en een sterk geschubde onderzijde.
Verwarringssoorten
Merel is de enige echte verwarringssoort. Een merel is egaal zwart met een egale, gelijkmatig donkere vleugel, een oranjegele snavel met gele oogring en een rustige, laag scherende vlucht; de beflijster heeft altijd een lichter vleugelpaneel, een schubbige onderzijde en een hardere, meer sperwerachtige vlucht. Voorzichtig met merels die een witte borstvlek hebben — die zijn onregelmatig gevormd en meestal ook elders wit gevlekt, en de vleugel blijft egaal donker. Kramsvogel heeft een grijze kop en een witte ondervleugel.
Leefgebied
Broedt boven de boomgrens en in de bovenste bosrand: alpenweiden met rotsblokken, jeneverbes- en alpenroosstruweel, verspreide lariksen en steile bergbeekdalen; in Groot-Brittannië en Scandinavië ook op laag gelegen heide en in rotsige heidedalen. Op doortrek in kale duinvalleien, korte heide, akkerranden en graslanden met open zand, altijd waar hij van een kaal stuk grond kan foerageren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Drie vormen: de noordelijke in Scandinavië en de Britse eilanden, de alpiene in de Alpen, Pyreneeën en Karpaten, en een derde in de Kaukasus. Nederland ligt op de trekweg: in kleine aantallen doortrekker in april en opnieuw van half september tot begin november, met de duinen en de heidevelden als beste plekken. In Spanje broedt hij in de Pyreneeën en de Cantabrische bergen en overwintert hij in de jeneverbesbossen van de Iberische hoogvlaktes en de Sierra Nevada, waar de bessen het hoofdvoedsel zijn.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De laatste tien dagen van april, vroeg in de ochtend, in een kale duinvallei of op een pas geplagd heideveld: loop de open zandplekken langs en let op een 'merel' die te vroeg opvliegt en te ver doorvliegt. Kijk dan naar de vleugel — het zilvergrijze paneel valt op tegen het licht — en niet meteen naar de bef, want vrouwtjes en eerstejaars hebben die nauwelijks. In de Alpen loont het om in juni bij zonsopgang boven de boomgrens te gaan zitten en op de trage fluittonen te wachten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa neemt de soort af en trekt hij zich terug naar hoger gelegen en noordelijker gebied. In Groot-Brittannië verdween meer dan de helft van de broedvogels in enkele decennia; in de Alpen schuift de ondergrens omhoog. Klimaatverandering die de sneeuwgrens en de vegetatie verschuift, verlies van korte alpenweide door verruiging en het wegvallen van jeneverbesbessen in de overwinteringsgebieden zijn de belangrijkste verdachten.




