Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Kroonboszanger
Kroonboszanger | Phylloscopus coronatus
Eastern crowned warbler | Mosquitero coronado
De kroonboszanger broedt in het loofbos van het Russische Verre Oosten, Korea en Japan, en hij hoort tot de zeldzaamste dwaalgasten die Noordwest-Europa kan opleveren. In heel Europa zijn er tussen 2000 en 2024 zo'n dertien gevallen bekend en Nederland heeft er daarvan twee. Wie er een vindt, kijkt naar een grote, lange boszanger met een zilverwitte buik en een citroengele broek.
Geluid
In Europa hoor je hooguit de roep, en die is dun en scherp: een hoog, ijl tsie of tsu-wie, kort en wat piepend, minder doordringend dan de roep van de bladkoning en zonder de harde tik van de noordse boszanger. Hij roept spaarzaam en vaak pas na lang zwijgen, zodat een gevonden vogel meestal eerst op beeld wordt gedetermineerd. De zang, die in de broedbossen van mei tot juli klinkt, is daarentegen luid, helder en verrassend melodieus: een korte, gescandeerde frase van een paar aanloopnoten gevolgd door een omhoog schietende uithaal, ongeveer tsjie-tsjie-tsjie-tsjuu-wiet, urenlang herhaald vanaf een tak halverwege de kroon. Het is een van de meest kenmerkende geluiden van het Japanse en Koreaanse loofbos in het voorjaar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en langgerekt voor een boszanger, met een lange, zware snavel en een lange vleugel; het formaat en de forse kop doen eerder aan een fluiter dan aan een bladkoning denken. Bovendelen olijfgroen, de kruin grijzer met twee donkere zijstrepen waartussen een vage, geelachtige middenstreep loopt die vaak alleen bij goed licht of bij opgezette kruinveren te zien is. De wenkbrauwstreep is lang, breed en geelwit en loopt tot ver achter het oog; daaronder een donkere oogstreep en donkere teugels. Over de grote dekveren staat één smalle geelwitte vleugelstreep; een tweede ontbreekt of is hooguit een spoor. Het beslissende kenmerk zit onder de staart: de onderdelen zijn zuiver zilverwit, maar de onderstaartdekveren zijn helder citroengeel en steken daar scherp tegen af. De ondersnavel is geheel oranje zonder donkere punt, de poten zijn grijsroze tot bruinig, de handpenprojectie is lang.
Verwarringssoorten
De noordse boszanger is de eerste die je moet uitsluiten: die mist de kruinstreep, heeft geen gele onderstaartdekveren en heeft een duidelijk donkere punt aan de oranje ondersnavel. De grauwe fitis is kleiner, ronder, groener en heeft eveneens witte in plaats van gele onderstaartdekveren. De fluiter komt in formaat en houding het dichtst in de buurt en heeft ook een lange vleugel, maar bij hem zit het geel juist op keel en borst, met een sneeuwwitte buik daaronder, en hij mist zowel de kruinstreep als de vleugelstreep. De bladkoning is minder dan de helft zo groot, heeft twee opvallende vleugelstrepen en geen geel onder de staart. Ontbreekt het licht om de gele broek te zien, let dan op de combinatie van formaat, de zware oranje snavel zonder donkere punt en de flauwe lichte kruinstreep.
Leefgebied
Broedt in opgaand loofbos en gemengd bos van heuvel- en berggebied: eiken-, esdoorn-, linden- en berkenbos met een gesloten kroon en een open onderlaag, tot ongeveer de bovengrens van het loofbos in de bergen van Japan, Korea en het Amoergebied. Ook in ouder parkbos, tempelbos en beboste stadsranden, waar hij zich net zo goed thuis voelt als in ongerept bos. Hij foerageert hoog, meestal in de middelste en bovenste helft van de kroon, en houdt zich in het najaar op de trek aan bos en struweel in Zuidoost-Azië.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van het Amoergebied en Noordoost-China oostwaarts over Korea tot in heel Japan, en overwintert van Oost-India en Bangladesh tot Maleisië en Java. In het Westelijk Palearctisch gebied is hij een uitzonderlijke dwaalgast: het eerste geval was van Helgoland, Groot-Brittannië kreeg zijn eerste pas in oktober 2009 in County Durham, en tussen 2000 en 2024 zijn er in heel Europa ongeveer dertien gevallen aanvaard. Nederland heeft er daarvan twee: Katwijk op 5 oktober 2007 en Castricum van 21 tot 23 oktober 2016. In Spanje en de rest van het Middellandse Zeegebied is de soort nog nooit vastgesteld.
Waar en wanneer kijken
Realistisch gezien vind je hem niet door te zoeken, maar door in oktober elke grote, lichtbuikige boszanger in een kustbosje serieus te nemen in plaats van hem als fitis af te doen. De gouden regel is: bij elke boszanger die duidelijk groter oogt dan een tjiftjaf en die één vleugelstreep heeft, kijk je naar de onderstaartdekveren en naar de punt van de ondersnavel. Fotografeer wat je ziet — bij een soort met twee Nederlandse gevallen is beeldmateriaal het enige dat een commissie overtuigt. Beste omstandigheden: de tweede helft van oktober op een Waddeneiland of een kustpunt na een langdurige oostenwind, dezelfde situatie die bruine en Raddes' boszangers aanvoert.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de soort is talrijk en verspreid over een groot deel van Oost-Azië en broedt daar zowel in natuurlijk bos als in aangeplant en stedelijk groen, wat haar minder kwetsbaar maakt dan veel bosvogels van dezelfde regio. Kap van oud loofbos en de omzetting van gemengd bos naar naaldhoutplantage zijn plaatselijk wel ongunstig. Het aantal Europese gevallen is de laatste decennia licht toegenomen, in lijn met de andere Oost-Aziatische dwaalgasten, maar de soort blijft hier van een heel andere orde van zeldzaamheid dan de bladkoning of de bruine boszanger.



