Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Swinhoes boszanger
Swinhoes boszanger | Phylloscopus plumbeitarsus
Two-barred warbler | Mosquitero de Swinhoe
Swinhoes boszanger is de oostelijke schakel van het complex rond de grauwe fitis en de zeldzaamste van de drie in ons gebied: een vogel van Transbaikalië, Mongolië en Mantsjoerije, waarvan er in Nederland pas een handvol gevallen zijn aanvaard. Hij ziet eruit als een grauwe fitis die per ongeluk de vleugelstrepen van een bladkoning heeft gekregen, en juist dat maakt hem in een kustbosje in oktober zo verwarrend.
Geluid
De roep is de sleutel en hij is voller, ronder en rollender dan bij de grauwe fitis: een tweelettergrepig tsjoe-wie dat vaak uitloopt tot een drielettergrepig tsjoe-el-wie of tsjirre-lie, met een duidelijk rollend, rrrende middenstuk. Waar de grauwe fitis kort en scherp als een witte kwikstaart klinkt, klinkt Swinhoes boszanger langer, breder en met een rolletje erin. Het verschil is klein maar op een opname goed te zien, en juist daarom staat of valt elk geval bij ons met een geluidsopname. De zang, die je in Europa vrijwel nooit hoort, is een snelle, hoge, ratelende reeks in hetzelfde soort tempo als bij de grauwe fitis, maar met andere en langere frasen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets forser en langer dan een grauwe fitis, met een wat grotere kop. Boven donkerder en zuiverder olijfgroen, onder juist witter — het contrast tussen boven- en onderdelen is groter dan bij zijn westelijke tegenhanger, en van geel is bijna niets te zien. De wenkbrauwstreep is lang en geelwit, loopt tot achter het oog door maar reikt zelden of nooit zover naar voren dat de twee zijden boven de snavel samenkomen. Op de vleugel staan twee strepen. De onderste, over de toppen van de grote dekveren, is lang, breed en over haar hele lengte even breed — een echte streep, geen wigje. Daarboven ligt een kortere maar duidelijke witte streep over de middelste dekveren, die bij een versleten vogel in het late najaar wel kan slijten of vrijwel verdwijnen. De poten zijn donker loodgrijs, waaraan de soort haar wetenschappelijke naam dankt; de ondersnavel is oranjegeel zonder donkere punt.
Verwarringssoorten
Twee soorten moeten worden uitgesloten. De eerste is de grauwe fitis: die heeft één vleugelstreep, en die streep is smal, vuilwit en aan het uiteinde vaak versmald tot een wigje, terwijl de streep bij Swinhoes boszanger over haar hele lengte even breed blijft; bovendien komen de wenkbrauwstrepen bij de grauwe fitis meestal boven de snavel samen en bij Swinhoes vrijwel nooit, en is de grauwe fitis lichter en grijzer groen op de bovendelen. Zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. Vergeet niet dat een versleten Swinhoes zijn tweede streep kan kwijtraken; hoor je dan ook nog niets, dan noteer je de vogel niet. De tweede is de bladkoning, en die is bij een vluchtige blik het echte gevaar: ook twee vleugelstrepen, maar hij is duidelijk kleiner en compacter, heeft een lichte kruinstreep over het midden van de kruin, brede witte zomen op de tertials, een geler gezicht en een luide, opgaande roep. Swinhoes boszanger mist de kruinstreep en de opvallende tertialzomen volledig. De noordse boszanger heeft een donkere punt aan de ondersnavel, lichte poten en meestal maar één streep; de groene fitis is geelgroen op kop en keel.
Leefgebied
Broedt in de zuidoostelijke taiga: gemengd bos van lariks, berk en spar met een dichte struiklaag, jonge berkenopslag op oude brandvlakten, en vooral het dichte wilgen- en elzenstruweel langs riviervlakten en beekdalen, waar hij laag en onopvallend foerageert. Ook in loofbos van eik en linde in Mantsjoerije en het Russische Verre Oosten. Overwintert in de bosranden, bamboe en struwelen van Zuid-China, Indochina en Thailand. Bij ons in het najaar in kustbosjes, duindoorn, vlier en wilgenstruweel, meestal in gezelschap van mezen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van het Baikalmeer en Transbaikalië oostwaarts door Mongolië, Mantsjoerije en Noordoost-China tot aan de kust van de Zee van Ochotsk, en overwintert in Zuidoost-Azië. Het hele areaal ligt daarmee ver buiten ons kaartgebied; alles wat hier verschijnt is een verdwaalde najaarstrekker. In Nederland zijn tot dusver vier gevallen aanvaard: Castricum in september 1990, Terschelling in oktober 1996, een vogel die van eind november 2013 tot begin januari 2014 bij Dronten overwinterde, en Rotterdam in oktober 2021. Dat Terschelling-geval werd aanvankelijk als noordse boszanger op naam gebracht en pas later herzien, wat goed weergeeft hoe lastig de soort is. In Groot-Brittannië is het beeld vergelijkbaar: het eerste geval betrof een vogel op de Scilly-eilanden in 1987, en sindsdien komen er met tussenpozen van jaren enkele bij, vrijwel altijd in oktober op de oostkust. In Spanje is de soort een extreme zeldzaamheid.
Waar en wanneer kijken
Oktober, na een lange periode van wind uit het oosten, in dezelfde kustbosjes waar je bladkoningen zoekt. De werkwijze is die van elke oostelijke dwaalgast: loop mee met een mezentroep en luister. Hoor je iets dat op een bladkoning lijkt maar te vol en te rollend is, dan zet je de recorder aan vóórdat je de verrekijker heft — bij deze soort is de opname het bewijs en het beeld slechts ondersteuning. Zie je de vogel, controleer dan in deze volgorde: eerst het formaat en het ontbreken van een kruinstreep, dan de brede en gelijkmatig brede onderste vleugelstreep, dan of de wenkbrauwstrepen boven de snavel bij elkaar komen, en tenslotte de loodgrijze poten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; het broedgebied is uitgestrekt en de aantallen zijn stabiel. In Europa is de soort pas sinds de jaren tachtig herkend: tot 1990 werd zij als een oostelijke vorm van de grauwe fitis behandeld en sindsdien als aparte soort, en dat maakt de Europese reeks gevallen kort. De verspreiding van dit complex rond het Tibetaanse plateau is het schoolvoorbeeld van een ringvormig patroon: van de Baltische staten via de Himalaya naar Oost-Siberië lopen de vormen geleidelijk in elkaar over, behalve op de plek in Midden-Siberië waar de twee uiteinden van de ring elkaar raken — daar leven grauwe fitis en Swinhoes boszanger naast elkaar zonder te mengen, en gedragen zij zich dus als twee aparte soorten.



