Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kwak
Kwak
Nycticorax nycticorax | Black-crowned night-heron | Martinete común
De kwak is een gedrongen, kortnekkige reiger die overdag verscholen in wilgen of moerasbos zit en pas in de schemering actief wordt. Zijn naam is een letterlijke klanknabootsing van de roep die je 's nachts boven je hoort.
Geluid
Een korte, hese, blaffende kwak of kwok, meestal eenmalig uitgestoten in de vlucht en het vaakst 's nachts of vlak na zonsondergang — vaak hoor je de vogel over zonder hem te zien. In de kolonie een assortiment aan schorre keelklanken en een ratelend bedelgeluid van de jongen. De beste kans is een warme avond in mei of juni boven een moerasbos of visvijver.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Compact en zwaargebouwd, met een korte dikke hals, een grote platte kop en een stevige, licht neerwaarts gebogen snavel. De adult is onmiskenbaar: glanzend zwarte kruin en mantel, lichtgrijze vleugels, witte tot lichtgrijze onderdelen, twee tot drie lange witte nekveren en een groot, dieprood oog. Poten geelgroen, in de balts roze tot koraalrood. Juveniel is heel anders: donkerbruin met opvallende witte tot okerkleurige druppelvlekken op de dekveren en de rug, gestreepte onderdelen en een dofgeel oog. In vlucht ronde, brede vleugels, gelijkmatige vrij snelle slagen, een ineengedoken profiel en tenen die net voorbij de staart komen.
Verwarringssoorten
In vlucht is het woudaapje de klassieke verwarring, vooral bij juveniele kwakken. Beslissend is het vleugelbeeld: het woudaapje toont altijd een groot bleek dekveerpaneel dat scherp afsteekt tegen zwarte slagpennen, terwijl een jonge kwak egaal donkerbruin oogt met alleen fijne lichte spikkels. Bovendien is de kwak bijna dubbel zo groot, breder gevleugeld en veel trager in zijn slag. Een jonge kwak versus een roerdomp: de roerdomp is veel forser, geelbruin met zware zwarte bandering op vleugel en staart en oogt in vlucht uilachtig. Adulte kwakken zijn met niets te verwarren.
Leefgebied
Moerasbos en wilgenstruweel langs rivieren, oude kleiputten, visvijvers en dode rivierarmen; de vogels broeden in bomen en struiken boven of vlak bij water en slapen daar overdag. Jaagt in de schemering en 's nachts vanaf de oever, op een tak of staand in ondiep water, op vis, kikkers en waterinsecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In Spanje wijdverbreid en plaatselijk talrijk, met kolonies langs de Guadalquivir, in Doñana, de Ebrodelta, de Albufera en langs veel rivieren met ooibos. In Nederland een zeer schaarse broedvogel met enkele kleine kolonies, onder meer in de Gelderse Poort en langs de grote rivieren; daarnaast leeft er al lang een halfwilde populatie rond dierentuinen, waardoor niet elke Nederlandse kwak zonder meer een wilde vogel is. De soort trekt weg naar tropisch Afrika en keert in april terug.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni op een windstille avond bij een visvijver, oude rivierarm of ooibos zitten en blijf tot een halfuur na zonsondergang; dan verlaten de vogels hun dagrustplaats en verraden ze zich met de blaffende vluchtroep. Overdag loont het om met de telescoop dichte wilgen boven het water af te speuren: een roestende kwak zit stil en laag, met opgetrokken hals.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Europa over de lange termijn duidelijk afgenomen door het verdwijnen van ooibos, kanalisatie van rivieren en het droogleggen van visvijvers en moerassen. Herstel van natuurlijke rivierdynamiek en van moerasbos is de sleutel; in Zuid-Europa doet de soort het aanmerkelijk beter dan in het noordwesten.



