Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Lady amherstfazant

Lady amherstfazant

Chrysolophus amherstiae | Lady Amherst's pheasant | Faisán de Lady Amherst

Een fazant in zwart, wit en flessengroen, met een staart die als een gebandeerde zweep achter hem aan sleept. Inheems in de bergbossen van Zuidwest-China en Noord-Myanmar. In Europa gaat de soort geheel terug op vogels die vanaf 1828 als siervogel werden ingevoerd, en de Britse populatie is inmiddels verdwenen.

Lady amherstfazant (Chrysolophus amherstiae)
Foto: Henry Koh — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De haan geeft in het voorjaar een hard, metaalachtig en meestal tweeledig tsjak-tsjak, veel korter en droger dan het kraaien van een gewone fazant en met een klank die aan twee tegen elkaar geslagen stenen doet denken. Bij balts, waarbij hij zijn cape als een kraag uitspreidt en zijwaarts om de hen draait, klinkt een kort sissend sjuu. Buiten april en mei is de soort zwijgzaam, en het geluid is niet te scheiden van dat van de goudfazant.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

De haan meet 100 tot 120 cm, waarvan ongeveer 80 cm staart: wit met scherpe zwarte dwarsbanden, breed en licht gebogen. Op de nek draagt hij een cape van witte, zwart omzoomde schubveren, daarboven een klein rood kuifje, en verder een donkergroene, zwart geschubde mantel, sneeuwwitte onderdelen, een gele stuit met rode punt en oranjerode staartdekveren. De hen is 60 tot 68 cm, roodbruin en grof dwarsgebandeerd, met blauwgrijze poten en een kale blauwgrijze ring rond het oog.

Verwarrings­soorten

Tegenover de goudfazant is de haan simpel te scheiden: wit in plaats van rood op de onderdelen, een zwart-wit geschubde cape in plaats van een oranje kraag, en een brede, wit met zwart gebandeerde staart in plaats van een smalle okerkleurige. Het probleem zijn de hybriden, die in Bedfordshire en Buckinghamshire decennialang naast elkaar leefden en vrij kruisten: rood dat doorloopt op buik of flanken, een oranje waas over de capeveren of een tussenvorm van kuif en staart wijst op menging, en zuivere vogels werden er zeldzaam. De hennen zijn het lastigst. Die van de amherstfazant is roodbruiner en grover gebandeerd dan die van de goudfazant, met blauwgrijze poten en een kale blauwgrijze oogring tegenover de gele poten van de goudfazanthen; beide lijken op een fazanthen, maar zijn kleiner, van kop tot buik dwarsgebandeerd in plaats van gevlekt, en fijner in de staart.

Leefgebied

Loofbos en gemengd bos met een dichte, donkere ondergroei, vrijwel altijd rododendron, of dicht opeen staande naaldhoutaanplant die nog niet is opgesnoeid. In China bamboestruweel en struikrijk bergbos tussen 2000 en 3600 meter, veel hoger dan de goudfazant. De vogel loopt de hele dag door de ondergroei, zoekt voedsel op bospaden en open plekjes en slaapt in bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Inheems in Zuidwest-China, vooral Sichuan en Yunnan, en in het uiterste noorden van Myanmar. In Europa in de jaren 1890 uitgezet bij Woburn Abbey in Bedfordshire en op het eiland Bute, met later kleine kernen in Noord-Wales. De soort bleek uiterst honkvast en breidde zich in een eeuw nauwelijks tien kilometer van de uitzetplekken uit. In Nederland en Spanje is elke vogel een ontsnapte siervogel.

Waar en wanneer kijken

Er valt in Europa niets meer te zoeken: het laatste betrouwbare Britse dier was een eenzame haan bij Lidlington op de Greensand Ridge in Bedfordshire, voor het laatst gezien in 2015. Wie er nu een tegenkomt, kijkt vrijwel zeker naar een ontsnapte vogel; let op ringen aan beide poten en op een gaaf, ongesleten verenkleed. In het wild is de soort te vinden in de bergbossen van Noord-Yunnan en West-Sichuan, waar hij in april en mei baltst.

Staat van instandhouding

Wereldwijd is de soort niet bedreigd; de Chinese populatie is groot en over veel bergketens verspreid. In Groot-Brittannië telde de zichzelf in stand houdende populatie in Zuid-Bedfordshire en Oost-Buckinghamshire rond 1970 nog 100 tot 200 paren, rond de eeuwwisseling nog veertig, en daarna ging het snel. De soort staat op de Britse lijst in categorie C6, voor ingeburgerde exoten waarvan de populatie is uitgestorven. Als oorzaken worden genoemd: verdwijnende ondergroei, deels door de vraat van ingevoerde muntjaks, predatie door vossen, inteelt in een populatie die zich niet verspreidde, en het wegvallen van bijplaatsing.