Alle soortenUilenEchte uilen › Laplanduil

Laplanduil

Strix nebulosa | Great grey owl | Cárabo lapón

Een uil die even lang oogt als een oehoe maar nog geen derde van diens gewicht haalt: het formaat zit vooral in het dichte, wollige verenpak. Hij hoort bij de oude naaldbossen en veenmoerassen van Fennoscandinavië en Noord-Rusland en jaagt daar op woelmuizen, geregeld ook bij daglicht.

Laplanduil (Strix nebulosa)
Foto: Ron Knight — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept een diepe, doffe reeks van tien tot twintig noten, hoe-hoe-hoe-hoe-hoe, die naar het einde toe versnelt, in toonhoogte daalt en wegsterft; op stille nachten draagt die reeks een kilometer of twee. Het wijfje antwoordt hoger en heser, en bij het nest klinkt een kort, schor tsjek. Het meest van februari tot april, in de uren rond middernacht en opnieuw in de vroege ochtend.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Enorm ogende, egaal grijze uil zonder oorpluimen, met een reusachtig rond gezicht dat is getekend met fijne concentrische ringen rond twee kleine gele ogen. Onder de bleekgele snavel staat een zwarte kinvlek tussen twee witte vlekken, samen een witte snor of strikje. De onderdelen zijn grijs met vage lengtestrepen; in de vlucht zijn de vleugels lang en breed en de staart lang en gebandeerd, met trage, geruisloze slagen. De vogel oogt zwaar maar weegt zelden meer dan anderhalve kilo — veel veren, weinig vogel; wijfjes zijn groter en tot een derde zwaarder dan mannetjes.

Verwarrings­soorten

Bosuil is veel kleiner en gedrongen, grootkoppig maar met een rond, egaal gezicht zonder ringen, volledig zwarte ogen en zware lengtestrepen; in de vlucht breed en rond gevleugeld met een korte staart en volstrekt geruisloze slagen. Oeraluil zit qua formaat er tussenin en heeft een effen bleek gezicht zonder ringen, donkere ogen en een opvallend lange, wigvormige staart. Oehoe is veel zwaarder, warm okerbruin, met lange oorpluimen en felle oranje ogen. Alleen de laplanduil heeft de concentrische ringen, de zwarte kinvlek met witte snor en kleine gele ogen in een enorm grijs gezicht.

Leefgebied

Oude, open naaldbossen van fijnspar en grove den, doorsneden met hoogveen, aapavenen en natte bosranden. Hij jaagt vanaf een lage uitkijkpost boven kapvlakten, jonge aanplant en veldjes, en luistert woelmuizen onder een halve meter sneeuw uit. Broedt zonder eigen nest op afgebroken boomstronken, in oude roofvogel- en raafnesten en op speciaal opgehangen nestplatforms.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In ons kaartgebied broedvogel van Zweden, Finland, Noorwegen, Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland en Noord-Rusland; het areaal loopt van daar onafgebroken door tot ver in Siberië en over de hele boreale gordel van Noord-Amerika. Nederland en België liggen ruim buiten het bereik, dus wie hem wil zien moet naar het noorden. In winters met weinig woelmuizen zakken vogels af tot Midden-Zweden en Zuid-Finland, en heel af en toe verder.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in maart of april naar Oost-Finland (Kuhmo, Kuusamo) of Midden-Zweden en rijd in de laatste twee uur voor zonsondergang stapvoets over de bosgrindwegen; de vogels jagen dan van paaltjes en lage takken langs kapvlakten. Kies een jaar waarin de woelmuizen goed zitten, want in slechte muizenjaren broedt vrijwel geen enkel paar en verdwijnen de vogels uit het gebied.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern, oftewel niet in gevaar). De Europese aantallen schommelen sterk met de woelmuisstand en kunnen van jaar op jaar vertienvoudigen of instorten, wat trendberekeningen lastig maakt. De grootste bedreiging is het verdwijnen van oud bos met dikke afgebroken stammen en oude roofvogelnesten; nestplatforms in Finland en Zweden vangen dat deels op. Verder sneuvelen vogels op boswegen en aan hekdraad, en veroorzaakt de belangstelling van fotografen bij dagjagende vogels plaatselijk verstoring.