Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Oeraluil
Oeraluil
Strix uralensis | Ural owl | Cárabo uralense
De oeraluil is als een uitvergrote, bleke bosuil met een lange staart en een effen, uitdrukkingsloos gezicht. Hij bewoont oude bossen van Fennoscandinavië, de Baltische staten en de bergen van Midden- en Zuidoost-Europa. Bij het nest is hij feller dan welke andere Europese uil ook.
Geluid
Een diep, blaffend en duidelijk tweedelig roepen: hoe-hoevoe … hoevoe-hoevoe, met een pauze van enkele seconden tussen de delen, lager en heser dan de bosuil en zonder diens trilling. Het wijfje antwoordt nog heser, en bij verstoring klinkt een blaffend wau-wau met snavelgeklap. Het meest van februari tot april, in het eerste uur na zonsondergang en opnieuw vlak voor het licht wordt.
Opname: Alexander Kurthy — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Forse uil, in formaat halverwege bosuil en laplanduil, met een grote ronde kop zonder oorpluimen en een effen, roomwit gezicht zonder ringen of tekening, met kleine donkere, bijna zwarte ogen en een gele snavel. Het verenkleed is bleek grijsbruin met scherpe donkere lengtestrepen op een lichte ondergrond, zonder dwarsbandering op de borst. In de vlucht valt de lange, gebandeerde staart op die ver achter de brede, ronde vleugels uitsteekt en wigvormig eindigt; de slag is traag en zwaar, bijna buizerdachtig. Wijfjes zijn groter en kunnen bijna twee keer zo zwaar zijn als mannetjes.
Verwarringssoorten
Bosuil is de klassieke verwarring: veel kleiner en gedrongen, grootkoppig maar met een korte staart, een rond egaal gezicht met volledig zwarte ogen en zware lengtestrepen op een bruinere ondergrond; in de vlucht breed en rond gevleugeld, met trage en volstrekt geruisloze slagen. Laplanduil is groter en grijzer, met concentrische ringen in een enorm gezicht, een zwarte kinvlek met witte snor en kleine gele ogen. Oehoe is veel zwaarder, warm okerbruin, met lange oorpluimen en felle oranje ogen. De oeraluil is van de drie de bleekste, met de langste staart en donkere ogen in een effen gezicht; en een uil die je bij een nestboom aanvliegt en naar het hoofd slaat, is vrijwel zeker deze soort.
Leefgebied
Oud, gesloten bos met open plekken erin: sparren- en dennenbos met berk in het noorden, beuken- en beuken-zilversparbos in de Karpaten, de Alpen en op de Balkan. Nodig zijn zware bomen met holtes, afgebroken stammen en oude roofvogelnesten; grote nestkasten worden graag aangenomen. Jaagt op woelmuizen langs kapvlakten, bosweiden en bosranden, vaak al in de schemering.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In ons kaartgebied broedvogel van Noorwegen, Zweden, Finland, Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, Polen, Tsjechië, Slowakije, de Karpaten en de Dinarische bergen, met herstelde populaties in Beieren, Oostenrijk en Bohemen; van daar loopt het areaal onafgebroken door tot in Siberië, China en Japan. Nederland en België liggen buiten het bereik. Standvogel: zelfs in muizenarme jaren zwerven de meeste paren nauwelijks van hun territorium weg.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in maart naar het Beierse Woud, de Bohemer Wald of de Slowaakse Karpaten en luister in het eerste uur na zonsondergang aan de rand van oud beukenbos; roepende paren antwoorden elkaar over honderden meters. Blijf in april en mei ver van nestbomen en nestkasten, want broedende wijfjes vallen wandelaars aan en raken daarbij zelf ook het nest kwijt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern, oftewel niet in gevaar) en in Europa over het geheel stabiel tot licht toenemend, mede dankzij nestkasten en herstelprojecten in Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië. Bedreigingen zijn het kappen van oud bos met holle en afgebroken bomen, aanrijdingen op boswegen en in de bergen plaatselijke vervolging; in de Alpen en Karpaten zijn de deelpopulaties klein en van elkaar gescheiden.




