Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Middelste bonte specht

Middelste bonte specht

Dendrocoptes medius | Middle spotted woodpecker | Pico mediano

De middelste bonte specht is de specht van oude eikenbossen: een ietsje kleinere, rondere neef van de grote bonte specht, met een volledig rode kruin en een klagend gejammer in plaats van een roffel. In Nederland heeft hij zich pas rond de eeuwwisseling gevestigd en hij breidt nog steeds uit.

Middelste bonte specht (Dendrocoptes medius)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De baltsroep is de beste vondst van het vroege voorjaar: een langzaam, nasaal en klaaglijk kwèèh-kwèèh-kwèèh, alsof er ergens hoog in een eik een kat jammert, vier tot acht maal herhaald en dalend in toon. De contactroep is een zacht, vlak kuk, veel minder scherp en explosief dan het kik! van de grote bonte specht. Roffelen doet hij zelden en zwak: een korte, zachte, wat onregelmatige serie van nog geen seconde, terwijl de grote bonte specht een harde, strak gelijkmatige roffel van ruim een halve seconde produceert die hoger en droger klinkt.

Luister: Alarmroep van een mannetjeXC612700

Opname: Jesús Lavedán Rodríguez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Iets kleiner en molliger dan de grote bonte specht, met een korte, betrekkelijk zwakke snavel waarmee hij eerder peutert dan hakt. De kruin is bij beide geslachten rood — bij het mannetje feller en over een groter oppervlak, bij het vrouwtje matter roze-rood — en dat rood loopt zonder zwarte omlijsting door tot achter op de kop. Het gezicht oogt daardoor opvallend wit en open: de zwarte baardstreep begint pas onder het oog, raakt de snavelbasis niet en loopt niet door naar de nek. De flanken zijn crème met fijne donkere streepjes, de onderstaart bleek zalmroze in plaats van scharlaken. Jongen lijken al op de ouders, maar zijn doffer, met een matte kruin en bruinere ondertoon.

Verwarrings­soorten

Grote bonte specht is groter en hoekiger, heeft een zware beitelsnavel, een strak zwart-wit koppatroon met een doorlopende zwarte baardstreep tot in de nek, ongestreepte witte flanken en een felrode onderstaart; het mannetje heeft alleen een rode nekvlek, het vrouwtje helemaal geen rood. De echte valkuil is de jonge grote bonte specht, die in juni en juli een volledig rood petje draagt. Kijk dan naar de omlijsting: bij de jonge grote bonte is dat rode petje zwart omzoomd en snijdt een zwarte band van de baardstreep naar de nek het wit in stukken, terwijl de middelste bonte een open wit gezicht houdt en zijn rood aan de achterkant vloeiend uitloopt. De zwaardere snavel en de scharlaken onderstaart verraden de jonge grote bonte ook. Kleine bonte specht is veel kleiner, heeft een dwarsgebandeerde rug en nooit rood onder de staart.

Leefgebied

Oude, structuurrijke loofbossen met veel ruwe, diep gegroefde schors: zomereik en wintereik boven alles, daarnaast haagbeuk, oude essen en boomgaarden met knoestige hoogstammen. Hij foerageert vooral zoekend en peuterend in de kroon en op dikke zijtakken, veel minder hakkend dan andere spechten, en heeft daarom oude bomen nodig en geen jong, gladschorsig bos. Zuidelijker houdt hij van oude kurkeikbossen en dehesa-achtige eikenweiden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Noord-Spanje en Frankrijk oostwaarts tot Polen, de Balkan en de Kaukasus; het zwaartepunt ligt in Midden- en Oost-Europa. Nederland stond lang buiten het areaal: pas in de jaren negentig vestigden zich de eerste paren in Zuid-Limburg, waarna de soort zich via Brabant, de Achterhoek en Twente uitbreidde en inmiddels op tientallen plekken broedt. In Spanje is het een vogel van de oude eiken- en beukenbossen van de Cantabrische bergen en de Pyreneeën, met geïsoleerde populaties zuidelijker in oude kurkeikbestanden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Maart en de eerste helft van april, in een oud eikenbos vlak na zonsopkomst. Ga stilstaan en luister naar het jammerende kwèèh; roffels helpen je hier niet, want die zijn bijna altijd van de grote bonte. Volg het geluid en zoek de vogel hoog in de kroon, waar hij traag over dikke takken schuifelt. In Nederland zijn de oude eikenbossen van Zuid-Limburg, het Rijk van Nijmegen en de Achterhoek de beste adressen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern), en in West-Europa juist in opmars: de Europese populatie neemt toe en het areaal schuift noordwestwaarts op, mede doordat bossen ouder mogen worden en er meer dood hout blijft staan. De soort blijft wel volledig afhankelijk van oude eiken met ruwe schors; omvorming naar jong productiebos of het verwijderen van oude, kwijnende bomen laat hem meteen verdwijnen.