Alle soorten › Duikers › Duikers › Roodkeelduiker
Roodkeelduiker
Gavia stellata | Red-throated loon | Colimbo chico
De roodkeelduiker is de kleinste en slankste duiker van Europa en de enige die zich in de Nederlandse winter in flinke aantallen vlak onder de kust laat zien. Wie hem in juni op een toendrameertje in Lapland ziet, herkent nauwelijks de grijzige vogel die in januari langs de Brouwersdam trekt.
Geluid
Op zee zwijgzaam; in Nederlandse wateren hoor je de soort vrijwel nooit. Op de broedplaats is hij juist luidruchtig: een klagend, langgerekt gejammer dat over het water rolt en van ver draagt, en een ritmisch, gakkend kwuk-kwuk-kwuk in vlucht tussen het broedmeertje en de zee. Het jammeren is vooral 's avonds en 's nachts te horen, van mei tot juli op toendra- en taigameertjes in Noord-Scandinavië, IJsland en Schotland.
Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
In vlucht het beste kenmerk: een langgerekt, laag over de golven schuivend silhouet met een duidelijk hangende buik, de kop en hals iets onder de lichaamslijn gedragen en de poten als een korte punt achter de staart uitstekend. De vleugels zijn smal en staan ver naar achteren; de slag is snel en ondiep, zonder glijfases. De dunne snavel wijst kenmerkend iets omhoog, ook als de vogel op het water ligt. In winterkleed lichter dan alle andere duikers: bovendelen grijs met een fijne witte spikkeling, en de witte keel loopt hoog door tot boven het oog, zodat de kop een open, witgezicht uiterlijk krijgt. In zomerkleed grijze kop en nek, zwart-wit gestreepte nekzijden en een dofrode keelvlek die op afstand donker overkomt.
Verwarringssoorten
Parelduiker is de vaste verwarringssoort: forser, met een dikkere, recht gedragen snavel, een donkerder en scherper begrensd achterhoofd en meestal een witte flankvlek boven de waterlijn. Bij parelduiker loopt de grens tussen donkere kop en witte keel als een rechte lijn onder het oog, bij roodkeelduiker golft die grens hoog omhoog. IJsduiker en geelsnavelduiker zijn veel zwaarder, met een hoekige kop en een halve halskraag. Fuut kan in vlucht op afstand lijken, maar toont witte vleugelvelden en trekt de hals recht vooruit; aalscholver vliegt met een geknikte hals en een lange staart, en hoger boven het water.
Leefgebied
Broedt op kleine, visarme meertjes en veenplassen in toendra, taiga en op Schotse hoogvenen, en vliegt van daar dagelijks naar zee of naar grotere wateren om te vissen. Buiten de broedtijd volledig aan zee gebonden: ondiepe kustwateren, zeegaten, de buitendelta en de randen van zandbanken, waar hij op sprot, haring en grondels duikt. Anders dan de parelduiker mijdt hij diep water en blijft hij graag binnen enkele kilometers van de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van IJsland, Schotland, Scandinavië, de Baltische staten en het Russische noorden. Nederland kent geen broedparen, maar langs de hele kust van de Waddenzee tot de Zeeuwse Delta overwinteren duizenden vogels, met de grootste concentraties boven de ondiepe kustzone en rond de Voordelta. In Spanje is de soort een schaarse maar jaarlijkse wintergast langs de Cantabrische en Galicische kust, met kleine aantallen tot in Catalonië en zeer weinig waarnemingen aan de Middellandse Zee.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zeetrektellen in november en december bij matige wind uit het noordwesten levert de meeste vogels op; scan vanaf Camperduin, IJmuiden of de Brouwersdam de eerste twee uur na zonsopkomst en let op het lage, hangende silhouet en de opgewipte snavel. Bij vorstperiodes schuiven vogels naar de zeegaten en zijn ze vanaf de dijk soms op korte afstand te bekijken. In Spanje is de Ría de Ferrol of de baai van Santander in januari de beste gok; kalm weer is daar juist gunstig, want de vogels liggen dan zwemmend in de baai in plaats van ver op zee.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en verspreid over het hele noordpoolgebied. In Europa nemen de zuidelijke broedpopulaties in Schotland en Zuid-Scandinavië plaatselijk af door verstoring van broedmeertjes en door mislukte broedsels bij een tekort aan kleine vis. Op zee zijn olievervuiling, bijvangst in staandwantnetten en verstoring door scheepvaart en windparkaanleg de grootste risico's; de soort is bijzonder gevoelig voor verstoring en mijdt windparken over grote afstand.


