Alle soortenUilenEchte uilen › Ruigpootuil

Ruigpootuil

Aegolius funereus | Boreal owl | Mochuelo boreal

Een uil op het formaat van een steenuil, maar met een opvallend grote, ronde kop en een verbaasde blik. Hij is streng nachtelijk en drukt zich overdag tegen een stam weg, zodat de meeste waarnemingen uit het donker komen: een snelle, holle fluitreeks die op stille nachten kilometers ver draagt.

Ruigpootuil (Aegolius funereus)
Foto: Stefan Berndtsson — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het lied van het mannetje is een snelle, holle reeks van vijf tot acht fluittonen, soms meer dan tien, poe-poe-poe-poe-poe, die naar het einde toe iets stijgt en luider wordt en na enkele seconden opnieuw begint. Op een windstille nacht is hij twee tot drie kilometer ver te horen. Daarnaast een schril, kort kjak als alarm en een zacht knorren bij het nest. De zang piekt van eind februari tot april, vooral rond middernacht en in de laatste uren voor het licht wordt; in september en oktober zingen vogels nog kort.

Luister: Zang van het mannetjeXC407208

Opname: Klaus-Jürgen Papke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Grote, ronde kop met een brede, lichtgrijze sluier die door een donkere rand wordt omlijst; daarin staan gele ogen met opgetrokken witte wenkbrauwen, wat de vogel een verbaasde uitdrukking geeft. Kruin donkerbruin met kleine, dicht opeenstaande witte stippen, bovendelen bruin met grote witte vlekken, onderdelen wittig met vage, uitgelopen bruine vlekken in plaats van scherpe strepen. Poten en tenen zijn tot aan de nagels dicht wit bevederd, waaraan de soort zijn naam dankt. De staart is kort; de vlucht is recht en gelijkmatig op brede, ronde vleugels, zonder de golving van dwerguil of steenuil. Vrouwtjes wegen 130 tot 215 gram, mannetjes 90 tot 140 gram; in het veld is dat verschil niet te zien.

Verwarrings­soorten

Dwerguil deelt vaak hetzelfde bos maar is veel kleiner, met een kleine, ronde kop zonder duidelijke sluier en een strenge, laag geplaatste wenkbrauwstreep, een naar verhouding lange staart die vaak wordt opgewipt en een diep golvende, spechtachtige vlucht; bovendien is hij in de schemer en overdag actief, terwijl de ruigpootuil pas in het donker verschijnt. De valse ogen in de nek van de dwerguil ontbreken bij de ruigpootuil. Steenuil heeft een platte kop, brede witte wenkbrauwen en felgele ogen in een fronsend gezicht en zit in open cultuurland op palen en nokken, niet in gesloten bergbos. Bosuil is veel groter, met een rond, egaal gezicht en volledig zwarte ogen.

Leefgebied

Oud, dicht naaldbos van fijnspar, den en zilverspar, in het noorden ook gemengd met berk, met open plekken, kapvlakten en veel dood hout ernaast. Hij broedt vrijwel uitsluitend in verlaten holen van de zwarte specht en neemt nestkasten graag aan. Jaagt van een lage tak op woelmuizen en spitsmuizen en peilt zijn prooi in het donker vrijwel geheel op het gehoor, ook onder een laag sneeuw.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De taiga van Scandinavië, de Baltische staten en Rusland tot ver in Siberië, en zuidwaarts als losse eilanden in de bergbossen: Harz, Eifel, Sauerland, Zwarte Woud, Beierse Woud, Alpen, Karpaten, de Balkan en de Pyreneeën. In België broedt hij in de Ardennen en de Hoge Venen, in Duitsland in de middelgebergten. In Nederland is hij een zeer zeldzame gast, met roepende mannetjes op de Veluwe en in Drenthe in het late najaar en de winter; een zeker broedgeval is er niet. In noordelijke jaren met weinig woelmuizen zwerven vooral jonge vogels ver naar het zuiden en westen, en juist dan duiken ze bij ons op.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De enige praktische methode is luisteren. Sta in maart op een heldere, windstille nacht rond middernacht aan de rand van oud sparrenbos in de Ardennen, de Eifel of de Harz en wacht af; de fluitreeks draagt kilometers en geeft meteen de richting aan. Kleed je warm aan, want stilstaan hoort erbij. Laat afgespeeld geluid achterwege: de soort reageert er sterk op en verlaat er zijn territorium voor.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een grote bevolking in de taiga en kleinere, versnipperde bevolkingen in de zuidelijke bergen. Die zuidelijke voorposten zijn kwetsbaar: verlies van oude bomen met holen van de zwarte specht, het opruimen van dood hout en het omvormen van gemengd bergbos tot gelijkjarige aanplant maken bossen ongeschikt, en de boommarter is de belangrijkste nestbelager. In Spanje staat de soort als bijna bedreigd op de nationale lijst; nestkasten en het sparen van holle bomen hebben de aantallen in de Pyreneeën plaatselijk doen toenemen.