Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Sneeuwuil
Sneeuwuil
Bubo scandiacus | Snowy owl | Búho nival
De sneeuwuil is de grote witte uil van de arctische toendra en de enige uil die je op klaarlichte dag als een sneeuwhoop op een kei ziet zitten. Oude mannetjes zijn vrijwel zuiver wit, vrouwtjes en jonge vogels zwaar zwart gebandeerd. In West-Europa blijft het een uitzonderlijke verschijning.
Geluid
Het mannetje roept boven het broedterrein een diepe, ruwe, blaffende hoew … hoew, meestal twee tot zes tonen achter elkaar, die over de vlakke toendra kilometers ver draagt; het vrouwtje klinkt hoger en heser. Bij het nest een snel, blaffend krek-krek-krek en een schril, meeuwachtig kièw, vaak met snavelgeklepper erbij. Roepen doen ze vooral in mei en juni, en door de poollichte nacht op elk uur van de dag. Buiten het broedgebied is de soort vrijwel zwijgzaam: van een overwinterende of verdwaalde sneeuwuil hoor je niets.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een zware, breedschouderde uil met een grote ronde kop zonder zichtbare oorpluimen, felgele ogen en een zwarte snavel die bijna wegvalt in de dichte gezichtsveren; poten en tenen zijn tot aan de nagels wit bevederd. Het verenkleed verschilt sterk per geslacht en leeftijd: een oud mannetje is bijna geheel wit, met hooguit enkele losse donkere spikkels op kruin en vleugel, terwijl een vrouwtje over borst, buik, flanken, rug en vleugels dichte donkere dwarsbanden draagt en alleen het gezicht, de keel en de ondervleugel wit houdt. Jonge vogels zijn nog donkerder gebandeerd dan hun moeder. Het vrouwtje is duidelijk groter en zwaarder dan het mannetje, met ongeveer een halve kilo verschil. In de vlucht valt de soort op door lange, brede vleugels, een korte staart en trage, krachtige, gelijkmatige slagen, laag en recht over het open land, met tussendoor korte glijstukken; hij jaagt overdag en zit tussen de jachtvluchten op een steen, een paal of een terp.
Verwarringssoorten
De grootste valkuil zit niet in het verenkleed maar in de herkomst: een witte uil in het Nederlandse binnenland is vaker een ontsnapte valkeniers- of dierentuinvogel dan een wilde sneeuwuil, dus let eerst op een ring om de poot, op leren jessen aan de tarsus en op een vogel die zich opvallend makkelijk laat benaderen of op een schuurdak zit. Van de velduil verschilt de sneeuwuil in alles behalve het gedrag: die is veel kleiner en blekere, zandkleuriger, met gele ogen, een wit gezicht met zwarte oogringen, een scherp afgetekende zwarte polsvlek en een borststreping die naar de buik toe verdwijnt, en hij zeilt met stijve, opgeheven vleugels in plaats van met de vlakke, krachtige slag van de sneeuwuil. Een oud mannetje blauwe kiekendief is op afstand ook wit en jaagt eveneens overdag, maar is veel slanker, heeft zwarte vleugelpunten, een witte stuit en een lange smalle staart. Een sterk gebandeerd vrouwtje kan aan de oehoe doen denken, die echter warm okerbruin is, oranje ogen heeft en lange oorpluimen draagt. En een witte vlek op een verre akker blijkt vaker een grote mantelmeeuw of een stuk plastic dan een uil.
Leefgebied
Open arctische toendra met korte vegetatie en verspreide stenen, richels en bulten die als uitkijkpost dienen; het nest is niet meer dan een uitgekrabd kuiltje op een droge, vroeg sneeuwvrije verhoging. Buiten de broedtijd houdt hij het open land aan: kustduinen en kwelders, uitgestrekte akkers en polders, vliegvelden, zeedijken en de rand van het pakijs. Bomen worden gemeden; een sneeuwuil kiest liever een steen of een hek.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de toendragordel rond de noordpool. Binnen Europa gaat het om Finnmark in Noorwegen, Zweeds en Fins Lapland en de toendra van Noord-Rusland, maar de bezetting is hoogst onregelmatig: in jaren met weinig lemmingen broedt er in heel Scandinavië geen enkel paar, terwijl er in een goed lemmingjaar opeens tientallen paren zitten. Daarbuiten is hij een zeldzame zwerver. In Nederland zijn tussen 1806 en 2014 tweeëntwintig gevallen aanvaard, met kleine golfjes in 1980 en 1981, in 1992 en in 2013 en 2014; sommige van die vogels kwamen vermoedelijk vanaf de Noord-Amerikaanse kant, deels meeliftend op een schip. De kans op een wilde vogel is dus klein en volledig afhankelijk van het lemmingjaar in het noorden.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Wie de soort zeker wil zien, moet naar het noorden: het Varangerschiereiland in Noord-Noorwegen en Fins Lapland zijn de dichtstbijzijnde plekken, en dan in mei of juni van een jaar waarin de lemmingenstand hoog is — vogelaars in Scandinavië melden dat elk voorjaar. Scan vanaf de weg met een telescoop de hogere bulten en stenen op witte vlekken; de vogels zitten overdag open en vallen kilometers ver op. Blijf ver van een broedplaats, want de ouders verlaten het nest snel en vallen ook aan. Duikt er in Nederland een witte uil op, controleer dan eerst poot en tarsus op een ring of jessen.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (IUCN: Vulnerable). De soort stond lang als niet bedreigd te boek, maar bij de herziening bleek de wereldstand veel kleiner dan gedacht — in de orde van veertien- tot achtentwintigduizend volwassen vogels — en over drie generaties duidelijk teruggelopen. Het zwerfgedrag maakt tellen lastig, want dezelfde vogels broeden het ene jaar in Siberië en het volgende in Canada. Een veranderend sneeuwdek en verstoorde lemmingcycli in het noorden zijn de grootste zorg, daarnaast aanvaringen met voertuigen en hoogspanning en plaatselijke vervolging.



