Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Snor
Snor
Locustella luscinioides | Savi's warbler | Buscarla unicolor
De vogel die zijn naam dankt aan zijn geluid: een laag, gelijkmatig snorren dat bij schemer over het rietland hangt. Hij is de zanger van het oude, natte, ongemaaide riet en verdwijnt zodra dat riet verdroogt of wordt geoogst.
Geluid
De zang is een lage, gelijkmatige, mechanische ratel op één toonhoogte: een aanhoudend surrrrrrrrrrrr dat twintig tot dertig seconden kan doorlopen en soms nog veel langer. Vrijwel altijd gaat er een aanloop aan vooraf van losse tikken die versnellen tot ze samensmelten: tik … tik … tik-tik-tiktiktik-surrrrrrr. Ten opzichte van de sprinkhaanzanger klinkt hij lager, voller en gelijkmatiger, meer een snorrende motor dan een naaimachine. Vooral in de schemering en 's nachts te horen, van half april tot in juni, vanaf een rietstengel of een lage struik in het riet.
Opname: Darekk2 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Egaal warm roodbruin boven, zonder enige streping, met een vuilwitte keel en een lichtbruine borst en flanken. De staart is lang, breed en duidelijk afgerond, met lange onderstaartdekveren die tot ver in de staart reiken en licht getipt zijn. Het voorhoofd is vlak, de wenkbrauwstreep vaag en kort. Poten roze- tot vleeskleurig. Geslachten gelijk; het beste zicht krijg je op een zingend mannetje dat halverwege een rietstengel klimt.
Verwarringssoorten
Sprinkhaanzanger is de spiegel van de snor: olijfbruin met fijne donkere strepen op kruin en mantel, gestreepte onderstaartdekveren, en een hogere, drogere en snellere ratel. De snor is ongestreept, warmer roodbruin, heeft egale onderstaartdekveren, een bredere en ronder afgesloten staart en een lagere, tragere snor. Kleine karekiet is kouder bruin met een korter en rechter afgesloten staart en zingt in korte, herhaalde motieven. Rietzanger heeft een gestreepte kruin, een crèmekleurige wenkbrauwstreep en een roestbruine stuit.
Leefgebied
Grote, oude, permanent natte rietvelden met een dikke laag afgestorven riet, liefst met verspreide wilgen- en vlierstruiken. Ook overjarig riet in petgaten, moerassige zoomvegetaties en verlandende plassen. Hij mijdt jong, droog en jaarlijks gemaaid riet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Noordwest-Afrika oostwaarts tot in Centraal-Azië. In Nederland een schaarse maar karakteristieke broedvogel van de grote laagveenmoerassen: de Weerribben en de Wieden, de Nieuwkoopse Plassen, de Zouweboezem en de Oostvaardersplassen. In Spanje plaatselijk in de grote deltas en marismas — de Ebrodelta, de Albufera van Valencia en Doñana — en verder schaars en verspreid.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Half april tot half mei, in het laatste uur voor het donker: ga op een dijk of een vlonderpad staan met het rietveld voor je en wacht tot het snorren begint. Vaak zingen twee of drie mannetjes tegen elkaar in, zodat je ze uit elkaar kunt houden. Wie de vogel wil zien, kijkt naar halverwege een stevige rietstengel; hij zingt met opgeheven kop en trillende keel en laat zich daar minuten achtereen bekijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa afhankelijk van een kwetsbaar habitat. In Nederland schommelt de stand sterk met de kwaliteit van het riet: verdroging, te vroege of te grootschalige rietoogst en het verdwijnen van de natte rietlaag zijn de knelpunten. Waar rietmoeras jaarrond nat blijft en delen ongemaaid blijven, herstelt hij snel.


