Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Sperweruil
Sperweruil
Surnia ulula | Northern hawk owl | Cárabo gavilán
De sperweruil is de meest valkachtige van alle uilen: langgestaart, kortvleugelig en op klaarlichte dag boven in een dode boom, van waar hij op muizen duikt. Wie hem voor het eerst ziet denkt eerder aan een sperwer of een torenvalk dan aan een uil.
Geluid
Het mannetje zingt vanaf een boomtop een lange, snelle, bellende triller oe-loe-loe-loe-loe-loe…, die zonder onderbreking een kwart minuut kan doorgaan; het vrouwtje antwoordt hoger en heser. Vooral van februari tot april, en anders dan bij de meeste uilen vaak midden op de dag. Bij verstoring en rond het nest een scherp, valkachtig kie-kie-kie-kie en een schril, langgerekt kiirrl. Buiten het broedgebied is de soort vrijwel zwijgzaam: van een invasievogel in West-Europa hoor je in de regel niets.
Opname: Jamescandless — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een middelgrote, slanke uil met een kleine, ronde kop zonder oorpluimen, gele ogen en een gele snavel. Het bleke gezicht wordt aan weerszijden begrensd door een brede zwarte omlijsting die als een haak langs de wang naar beneden loopt en achter in de nek doorloopt; dat zwarte kader is het snelste kenmerk. De bovendelen zijn donkerbruin met witte vlekken en de kruin is fijn wit gespikkeld; de onderdelen zijn wit en van de keel tot onder de staart bedekt met fijne, regelmatige donkere dwarsbandering, die de soort haar naam geeft. Kenmerkend is verder de lange, wigvormige staart bij korte, betrekkelijk spitse vleugels, wat een silhouet oplevert dat meer aan een kleine roofvogel doet denken dan aan een uil. Hij is uitgesproken dagactief, zit vaak schuin voorovergebogen op de top van een dode spar, een paal of een lantaarn, wipt daarbij met de staart, en vliegt snel en recht laag over de grond om aan het eind steil naar de volgende uitkijkpost op te trekken.
Verwarringssoorten
De velduil jaagt eveneens overdag boven open terrein, maar is groter en veel langer gevleugeld, blekere en zandkleuriger, met gele ogen, een wit gezicht met zwarte oogringen, een scherp afgetekende zwarte polsvlek en een borststreping die naar de buik toe verdwijnt; bovendien zeilt hij traag en wiegend op stijve, opgeheven vleugels, terwijl de sperweruil kleiner en donkerder is, fijn dwarsgebandeerd tot op de buik, en snel en recht vliegt. De ruigpootuil heeft een veel grotere, ronde kop met een verbaasde uitdrukking, mist de zwarte gezichtsomlijsting, heeft een korte staart en is nachtelijk. De dwerguil is nog kleiner, kortstaartiger en op de onderdelen gestreept in plaats van gebandeerd. Op afstand of tegen het licht wordt een zittende sperweruil vaak voor een sperwer aangezien, maar die heeft een kleine kop met een dunne snavel en een smalle rode oogstreep, zit zelden zo pontificaal in de top van een dode boom, en de uil kijkt met twee gele ogen recht naar voren.
Leefgebied
Open naaldbos en berkenbos van de taiga tot aan de boomgrens, vooral waar het bos onderbroken wordt door hoogveen, moeras, kapvlakten en oude brandvlakten, en waar veel staande dode bomen overeind blijven. Broedt in de holle kop van een afgebroken boomstomp, in een oud spechtengat of in een nestkast. In de winter zoekt hij dezelfde open randen op, en in invasiejaren ook wegbermen, jonge aanplant en boerenerven.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de boreale bossen van Noorwegen, Zweden, Finland, Noordwest-Rusland en de Baltische staten, met onregelmatige gevallen in Estland. De stand wisselt sterk van jaar tot jaar met de woelmuizencyclus: in een topjaar leggen de vogels grote legsels en broeden er in Fennoscandinavië een veelvoud van het aantal paren in een dieptejaar, en zakt de muizenstand daarna in, dan trekken vooral jonge vogels ver zuidwaarts. Uit zulke invasies komen de zeldzame gevallen in Midden- en West-Europa. In Nederland is hij een zeldzame dwaalgast, met de bekendste vogel in Zwolle in de winter van 2013. In Spanje komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in maart of april in Fins of Zweeds Lapland langzaam langs bosranden, kapvlakten en veenranden en scan systematisch de toppen van dode bomen: de vogel zit hoog, open en overdag, dus een verrekijker vanaf de weg is genoeg en uitstappen is niet nodig. De baltstriller draagt ver en verraadt bezette territoria vaak eerder dan het oog. Voor een vogel dichter bij huis is het wachten op een invasiewinter: volg tussen november en januari de meldingen na een ingestorte muizenstand in het noorden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De Europese stand schommelt zo sterk met de muizenjaren dat een trend moeilijk af te lezen is, maar de soort is over haar hele boreale areaal wijdverbreid. De belangrijkste druk komt van de moderne bosbouw: het opruimen van staande dode bomen en oude stobben kost nestplaatsen, en het uitblijven van bosbranden en het rechttrekken van kapvlakten maken het landschap minder open. Behoud van dood staand hout en van kleinschalige open plekken in de taiga is de eenvoudigste maatregel.




