Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Dwerguil
Dwerguil
Glaucidium passerinum | Eurasian pygmy-owl | Mochuelo alpino
De kleinste uil van Europa, kleiner dan een spreeuw en met een kop niet groter dan een walnoot. Hij is niet streng nachtelijk maar jaagt in de schemer, en in het vroege voorjaar en de herfst zit hij ook overdag roepend in de top van een spar.
Geluid
De territoriale roep is een zacht, langzaam en helder fluitje, djuu … djuu … djuu, met ongeveer twee seconden tussen de tonen en een licht stijgende toonhoogte; hij draagt een paar honderd meter en klinkt vriendelijker dan je van een uil verwacht. In september en oktober komt daar een tweede lied bij: een stijgende toonladder van vijf tot acht tonen, tju-tju-tju-tjú-tjúu, die trapsgewijs omhoog loopt en abrupt afbreekt. Zingt vooral in de laatste minuten van de avondschemer en in het uur voor zonsopgang, met een piek van februari tot april en opnieuw in de herfst.
Opname: Domaszewicz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Kleiner dan een spreeuw en zeer compact, met een kleine, ronde kop zonder duidelijke sluier: alleen kleine gele ogen en een smalle, laag geplaatste witte wenkbrauwstreep, die hem een strenge blik geeft. Bovendelen grijsbruin met fijne witte stippen, kruin dicht wit gespikkeld, onderdelen wit met bruine lengtestrepen. De staart is naar verhouding lang en donker met vier of vijf smalle lichte dwarsbanden, en wordt vaak schuin omhoog gedragen of zijwaarts geflikt. Op het achterhoofd staan twee donkere vlekken met een lichte omlijsting, de zogenoemde valse ogen, die van achteren als een tweede gezicht ogen. De vlucht is diep golvend en spechtachtig: een serie snelle slagen, dan een duik met gesloten vleugels. Vrouwtjes wegen 55 tot 80 gram, mannetjes 47 tot 65 gram; in het veld is dat niet te zien.
Verwarringssoorten
Ruigpootuil zit vaak in hetzelfde bos maar is veel groter, met een grote ronde kop, een brede lichte sluier met donkere rand en een verbaasde uitdrukking; zijn staart is kort, zijn vlucht recht en gelijkmatig, en hij verschijnt vrijwel alleen in het donker. Steenuil is groter en langpotiger, met een platte kop, brede witte wenkbrauwen en felgele ogen in een fronsend gezicht, en hoort thuis in open cultuurland, niet in gesloten naaldbos; ook hij vliegt laag en diep golvend als een specht, zodat juist de vlucht deze twee niet scheidt. Dwergooruil is slanker, grijzer en schorskleurig, met korte oorpluimen, en is bovendien alleen zomervogel. Een klein silhouet boven in een spar blijkt op afstand vaak een zanglijster of een grote lijster te zijn.
Leefgebied
Oud, gevarieerd naald- en gemengd bos van de taiga en de middelgebergten, met sparren en dennen, open plekken, kapvlakten, bosranden en veel dood hout. Hij is afhankelijk van verlaten spechtenholen, vooral van de grote bonte specht, en jaagt vanaf lage uitkijkposten aan randen en op open plekken op mezen, goudhaantjes en woelmuizen. In de herfst legt hij voorraden aan in een boomholte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Scandinavië en de Baltische staten oostwaarts door de taiga tot Siberië, en daarnaast in de bergbossen van Midden-Europa: Vogezen, Jura, Zwarte Woud, Alpen, Beierse Woud, Karpaten en de Balkangebergten tot Rila en Pirin. De soort schuift al enkele tientallen jaren naar het noordwesten op; in de Eifel, de Ardennen en de Hoge Venen zit een kleine bevolking, en dat is voor een Nederlandse vogelaar veruit het dichtstbijzijnde gebied. In Nederland zelf blijft het een grote zeldzaamheid, met dertien aanvaarde gevallen sinds 2002, meestal roepende vogels in naaldbos; een broedgeval is hier nooit vastgesteld. Standvogel, die hooguit in strenge winters wat lager en verder zwerft.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in maart of begin april, of anders in oktober, een half uur voor zonsopgang naar oud sparrenbos met open plekken in de Hoge Venen, de Eifel of de Ardennen en ga stil op een kapvlakte staan. Luisteren is belangrijker dan kijken: het langzame fluitje verraadt hem lang voordat je hem ziet, en pas als je de richting hebt, zoek je de toppen van dode sparren af. Een druk alarmerend groepje mezen en goudhaantjes wijst hem vaak aan. Speel geen geluid af; roepende vogels laten zich daarmee makkelijk uit hun territorium lokken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Europa stabiel tot licht toenemend, met een uitbreiding naar het westen en noordwesten. De soort hangt van oud bos af: het kappen van holle bomen, het opruimen van dood hout en windworp en het omvormen van gevarieerd bergbos tot gelijkjarige aanplant maken bossen ongeschikt. Waar dood hout blijft liggen en spechten hun holen kunnen maken, houdt hij goed stand. Verstoring door fotografen en afgespeeld lokgeluid bij bekende roepposten is een plaatselijk probleem.



