Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Zilvermeeuw

Zilvermeeuw

Larus argentatus | European Herring Gull | Gaviota argéntea

De zilvermeeuw is de maatstaf waaraan elke andere grote meeuw wordt afgemeten, en juist daardoor een lastige soort geworden. Sinds geelpootmeeuw en pontische meeuw als aparte soorten gelden, moet elke vogel opnieuw worden bekeken.

Zilvermeeuw (Larus argentatus)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid en nasaal. De lachroep, kjauw-kjauw-kjauw, wordt met achterover geworpen kop gegeven en klinkt het hele jaar, maar het felst in de kolonie van maart tot juli. Bij onraad een kort blaffend ga-ga-ga, en op het strand een klagend miauwend bedelgeluid.

Luister: VluchtroepXC707075

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Adult: lichtgrijze mantel, zwarte handpennen met witte spiegels, vleeskleurige poten, gele snavel met rode gonysvlek en een bleekgeel oog in een oranjegele ring. Onvolwassen vogels doen er vier kalenderjaren over, van bruin gevlekt met donkere staartband naar steeds meer grijs op de mantel. Mannetjes zijn groter, platkoppiger en dikker gesnaveld dan vrouwtjes.

Verwarrings­soorten

Geelpootmeeuw: donkerder grijze mantel, felgele poten, meer zwart in de vleugelpunt en een streng ogend gezicht met kleine kop. Pontische meeuw: langgerekt, peervormige kop, lange smalle donkere snavel, bleke lange poten en een klein donker oog; laat vaak de vleugels hangen. Kleine mantelmeeuw is leigrijs met gele poten.

Leefgebied

Kust, havens, pieren en hoogwatervluchtplaatsen, maar even goed daken van pakhuizen en woonwijken, vuilstorten en pas geploegde akkers in het binnenland. Broedt in duinen, op schelpenbanken en op platte daken, vaak in losse kolonies tussen andere meeuwen.

Verspreiding en trek

Kustsoort van Noordwest-Europa. In Nederland een gewone broedvogel van duinen, Waddeneilanden en havensteden, jaarrond aanwezig. In Spanje juist schaars: alleen een winteraaste langs de Cantabrische kust en Galicië, waar de geelpootmeeuw de gewone grote meeuw is.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Winter is meeuwentijd. Zoek in december of januari een vissershaven of hoogwatervluchtplaats en werk de groep in het ochtendlicht rustig af: eerst mantelkleur, dan pootkleur, dan kopvorm en oogexpressie. Sluitertijd nemen loont, want veel vogels blijven uren staan.

Staat van instandhouding

Ondanks de grote aantallen gaat de broedpopulatie in Nederland en Noordwest-Europa al decennia achteruit. Het wegvallen van visserijafval en het sluiten van vuilstorten kostte voedsel, en op de grond broedende kolonies lijden onder predatie door vossen. Het broeden op daken neemt juist toe.