Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Australische bonte scholekster

Australische bonte scholekster | Haematopus longirostris

Pied Oystercatcher | Ostrero pío australiano

De Australische bonte scholekster is de scholekster van het zandstrand en het wad: zwart van boven, scherp afgesneden wit van onderen, met een lange oranjerode snavel en vleeskleurige poten. Hij is de enige scholekster van Australië met wit in het kleed, en de paren houden jaar in jaar uit hetzelfde stuk strand bezet.

Australische bonte scholekster (Haematopus longirostris)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het foerageren zwijgt hij meestal. Opvliegend of bij onrust klinkt een schel, ver dragend pliep of pie-pa-piep, dat in een lange reeks kan overgaan. Bij grensconflicten loopt een paar zij aan zij met omlaag gerichte snavel en zet een piping display in: een versnellende trillerroep die tot een scherp gejammer aanzwelt en die van de ene oever naar de andere wordt beantwoord.

Luister: VluchtroepXC953015

Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · French Island National Park (near French Island), French-Elizabeth-Sandstone Islands (Unincorporated), Victoria, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een forse steltloper van bijna een halve meter, van kop tot borst gitzwart, met vanaf de onderborst zuiver wit dat er met een kaarsrechte, scherpe grens tegenaan ligt. De snavel is lang, recht, zijdelings afgeplat als een beitel en oranjerood; hij is bij het vrouwtje langer en dunner dan bij het mannetje. Poten zijn kort en vleeskleurig tot vuilroze, het oog is rood met een oranjerode ring. In de vlucht valt een brede witte vleugelstreep op, plus een witte stuit. Jonge vogels zijn bruinzwart in plaats van zwart, met een doffe, donkergepunte snavel en grauwe poten.

Verwarrings­soorten

De Australische zwarte scholekster (Haematopus fuliginosus) is even groot maar geheel zwart en werkt rotsplaten af in plaats van zandstrand; in tegenlicht lijkt een bonte vogel zwart, waarna de witte buik bij het opvliegen alles beslist. Finsch' scholekster (Haematopus finschi) uit Nieuw-Zeeland duikt jaarlijks in klein aantal op langs de oostkust van Australië en is de lastigste: hij is kleiner, heeft een witte wig die vanaf de stuit de rug in loopt, meer wit in de vleugel en een zwart-witgrens die verder naar voren op de borst ligt. Op afstand kan een staande vogel ook aan de rifgriel (Esacus magnirostris) doen denken, maar die is bleek en gestreept in plaats van zwart-wit.

Leefgebied

Wad, estuarium en zandbank vormen zijn kern: hij zoekt op de slikplaat naar tweekleppigen en wormen, en bij hoogwater rust hij op een zandbank of een schelpenrug. Daarnaast loopt hij het brede zandstrand van de open oceaankust af en bezoekt hij zoutkwelder en de rand van mangrove. Rotskust gebruikt hij veel minder dan zijn zwarte verwant. Het nest is een kuiltje in het zand of tussen schelpen, net boven de vloedlijn of in de voorduinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Vrijwel de hele kustlijn van Australië, met een onderbreking bij de kliffen van de Grote Australische Bocht waar geen strand of wad ligt. De grootste concentraties zitten in Tasmanië, in Corner Inlet en Westernport in Victoria, langs de kust van Zuid-Australië en in de baaien van Zuidoost-Queensland zoals Moreton Bay. In Nieuw-Zeeland is hij één keer vastgesteld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop bij afgaand tij een estuarium af en zoek langs de rand van de slikplaat: de paren staan ver uit elkaar, want ieder paar verdedigt zo'n tweehonderd meter oever. Kom je te dicht bij een broedterritorium, dan loopt een van de twee luid roepend voor je uit; draai dan om, want het nest ligt open in het zand en de eieren zijn vrijwel onzichtbaar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar de Australische populatie wordt op ongeveer tienduizend vogels geschat en dat is weinig voor een heel werelddeel. In Nieuw-Zuid-Wales staat de soort sinds 2010 op de deelstaatlijst van bedreigde soorten. Het probleem is niet het voedsel maar het broedstrand: nesten en pas uitgekomen kuikens gaan verloren aan vossen en verwilderde katten, aan terreinwagens en loslopende honden, en aan strandbezoek in de zomervakantie, precies in de maanden dat de vogels jongen hebben. Waar stranden in de broedtijd worden afgezet en vossen worden bestreden, lopen de broedresultaten meteen op.

Wetenschappelijke naam

Haematopus longirostris | Vieillot, 1817

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Haematopus longirostris, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Haematopus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus, naar het Griekse haima, 'bloed', en pous, 'voet', naar de rode poten. longirostris betekent 'langsnavelig' en zegt precies wat je ziet. Als herkomst noemde Vieillot alleen 'Nouvelle-Hollande', het toenmalige Australië.