Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Australische zwarte scholekster

Australische zwarte scholekster | Haematopus fuliginosus

Sooty Oystercatcher | Ostrero negro australiano

De Australische zwarte scholekster is de scholekster van de rotskust: geheel zwart, met een lange oranjerode snavel, een rood oog met rode ring en vleeskleurige poten. Hij is nergens talrijk, houdt in paren een stuk rotsplaat bezet en komt alleen in Australië voor.

Australische zwarte scholekster (Haematopus fuliginosus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, ver dragend klieep, meestal bij het opvliegen. Op de rotsplaat voeren paren en kleine groepen een fluitconcert uit: een versnellende reeks hoge tonen die in een triller overgaat, met de snavel omlaag en de kop gebogen. Bij een naderende wandelaar klinkt een aanhoudend, doordringend piepen dat de hele plaat wakker maakt.

Luister: RoepXC366796

Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Kurnell, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een scholekster van tweeënveertig tot tweeënvijftig centimeter, in alle kleden volledig zwart. Snavel en oogring zijn scharlaken tot oranjerood, de iris is rood, de poten zijn roze tot vleeskleurig. Het vrouwtje is groter en heeft een langere, dunnere snavel — gemiddeld negentien procent verschil, het sterkste van alle scholeksters en bij een paar in het veld te zien. Onvolwassen vogels zijn bruinzwart, met grijsbruine poten en een bruin oog; pas in het tweede jaar wordt alles rood. De noordelijke vorm is kleiner en heeft een gelere oogring.

Verwarrings­soorten

De bonte scholekster (Haematopus longirostris) is even lang maar zwart-wit en werkt liever zandstrand en wad af dan rotsen; in tegenlicht kan een bonte vogel zwart lijken, waarna de witte buik bij het opvliegen alles beslist. In Nieuw-Zeeland is elke zwarte scholekster op een rotskust de zwarte vorm van de Nieuw-Zeelandse zwarte scholekster (Haematopus unicolor), korter en dikker van snavel; de Australische soort is daar één keer vastgesteld. Een jonge vogel met doffe snavel wordt bij haastig kijken voor een aalscholver aangezien.

Leefgebied

Rotskusten, rifplaten en steenachtige eilandjes waar bij eb mosselen, zeeoren en tolhorens droogvallen; hij eet aan de rand van de branding, in de twee uur voor en na laagwater. Om te rusten en te broeden gebruikt hij rotsplaten, lage kliftoppen en onbewoonde eilandjes vlak voor de kust. Zandstrand en estuarium gebruikt hij minder, en vrijwel nooit zolang er rotsplaat beschikbaar is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Australië en verspreid over vrijwel de hele kust, van zuidwestelijk West-Australië rond het continent tot in Queensland, met de hoogste dichtheden rond Tasmanië en op de eilanden in Straat Bass. De noordelijke vorm loopt van de Kimberley tot Mackay in centraal Queensland, de zuidelijke daaronder. Hij trekt niet: de paren blijven jaarrond op hun eigen kust, en jonge vogels zwerven hooguit langs de kustlijn.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop bij afgaand tij een rotsplaat af en zoek een zwarte vogel op de laagste rand, waar het zeewier begint; hij staat vaak precies op de grens van het wegtrekkende water. Vergelijk bij een paar de snavels: de langere en dunnere hoort bij het vrouwtje, en dat is een van de weinige plekken waar dat verschil zonder maatlat te zien is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar het gaat om een kleine stand: het totaal wordt geschat op ongeveer elfduizend vijfhonderd vogels, vierduizend van de zuidelijke en zevenduizend vijfhonderd van de noordelijke vorm. In Nieuw-Zuid-Wales is de soort kwetsbaar verklaard, in Victoria bijna bedreigd, en in Zuid-Australië en Queensland als zeldzaam aangemerkt. Verstoring van broedplekken door boten en wandelaars, vossen en ratten op de eilandjes, en olie op de rotskust wegen daarbij het zwaarst.

Wetenschappelijke naam

Haematopus fuliginosus | Gould, 1845

Gould beschreef de soort in 1845 als Haematopus fuliginosus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Haematopus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus, naar het Griekse haima, 'bloed', en pous, 'voet', naar de rode poten. fuliginosus betekent 'roetkleurig'. Gould gaf als typelocatie Tasmanië, de eilanden in Straat Bass en de zuidkust van Australië; de noordelijke vorm, onderscheiden als subsp. ophthalmicus, wordt door sommigen als aparte soort beschouwd.