Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Australische koekoekswouw

Australische koekoekswouw | Aviceda subcristata

Pacific Baza | Baza australiana

De Australische koekoekswouw is de enige Australische roofvogel met een kuif: een slanke, langstaartige vogel met een grijze kop, felgouden ogen aan de zijkant van de kop en een witte buik met brede zwarte dwarsbanden. Hij klautert traag door de boomkruin op zoek naar wandelende takken en bidsprinkhanen, en zijn brede, peddelvormige vleugels maken hem in de vlucht meteen anders dan elke havik.

Australische koekoekswouw (Aviceda subcristata)
Foto: Mike's Birds from Riverside, CA, US — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, ver dragend tweelettergrepig fluitje, wie-tsjoe, wie-tsjoe, waarvan de tweede noot lager en als het ware naar beneden kantelt; je hoort het ook wel weergegeven als ie-toei. Hij roept veel en aanhoudend, ook boven de kruinen tijdens de baltsvlucht en soms diep in de avond, en het geluid verraadt hem vrijwel altijd eerder dan het oog hem vindt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Vijfendertig tot vijfenveertig centimeter, met een spanwijdte van tachtig tot honderdvijf centimeter. Kop en borst zijn grijs, de buik is wit met brede zwarte dwarsbanden, de bovenzijde bruingrijs en de staart lang en duidelijk gebandeerd. Op het achterhoofd zit een kort, stijf kuifje dat vaak half opgericht staat. De iris is goudgeel en de ogen staan opvallend ver naar de zijkant van de kop. In de vlucht vallen de brede, afgeronde, bijna peddelvormige vleugels op met diep gevingerde handpennen en een roodbruine ondervleugel; bij de balts stijgt hij hoog op en laat zich met de vleugels in een V tuimelend vallen.

Verwarrings­soorten

De Australische havik (Tachyspiza fasciata) en de grijskopsperwer (Tachyspiza cirrocephala) hebben eveneens gebandeerde onderdelen, maar die bandering is veel fijner en roodbruin in plaats van breed en zwart; bovendien missen zij het kuifje, staan hun gele ogen vooraan in de kop onder een zware brauw, en zijn hun vleugels smaller en minder peddelvormig. De Aziatische wespendief (Pernis ptilorhynchus), die hier alleen als noordelijke gast verschijnt, is groter, heeft een opvallend kleine duivenkop zonder kuif en een langere staart met twee brede donkere banden.

Leefgebied

Tropisch en subtropisch bos en open bos, regenwoudrand, moessonbos en lianenstruweel, rivierbos langs kreken, en in het oosten ook boomgaarden, parken en ruim begroeide buitenwijken met grote vijgen en andere vruchtdragende bomen. Hij houdt van goed bewaterd terrein en jaagt in de kruinlaag, niet boven open land.

Verspreiding en trek

Noordelijk en oostelijk Australië, vrijwel steeds binnen ongeveer vierhonderd kilometer van de kust, van de Kimberley over het Top End en Kaap York tot ongeveer de hoogte van Sydney; verder zuidwaarts is hij zeldzaam. Op Tasmanië en in Nieuw-Zeeland ontbreekt hij. Buiten het kaartvenster leeft hij op Nieuw-Guinea en de omliggende eilanden tot aan de Salomonseilanden. In het zuiden van zijn Australische areaal verschuift een deel van de vogels met de seizoenen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Laat je oren het werk doen: het tweelettergrepige fluiten draagt ver en is in Australië met niets anders te verwarren. Zoek daarna in de kruin van een grote vijg of een rivieroeverboom naar een roofvogel die traag en onhandig door het gebladerte klautert — zo jaagt geen enkele havik. In de buitenwijken van Brisbane en Cairns is hij een gewone tuinvogel geworden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is opvallend goed bestand tegen de menselijke inrichting van het landschap: waar voorsteden met oude bomen en vruchtdragende exoten zijn ontstaan, is hij gebleven of zelfs toegenomen, en in het zuidoosten is zijn areaal de afgelopen decennia iets opgeschoven. De druk zit in het noorden, waar regenwoud, moessonbos en lianenstruweel blijven verdwijnen voor landbouw en mijnbouw.

Wetenschappelijke naam

Aviceda subcristata | (Gould, 1838)

Gould beschreef de soort in 1838 als Lepidogenys subcristatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aviceda werd in 1836 ingevoerd door Swainson en is gevormd uit het Latijnse avis, 'vogel', en het werkwoord caedere, 'doden'. subcristata betekent 'enigszins gekuifd', naar het korte kuifje op het achterhoofd. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. De Nederlandse naam koekoekswouw wijst op de slanke bouw, de lange gebandeerde staart en de gebandeerde onderzijde, die samen aan een koekoek doen denken.