Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Wigstaartarend
Wigstaartarend | Aquila audax
Wedge-tailed Eagle | Águila audaz
De wigstaartarend is de grootste roofvogel van Australië en een van de grootste arenden ter wereld, met een spanwijdte tot ruim twee meter en een lange, spits toelopende staart die in de vlucht als een wig uitsteekt. Hij is over vrijwel het hele continent te zien, van de kustheuvels tot boven de bergkammen, meestal hoog zeilend en zelden vleugelslaand.
Geluid
Voor zijn formaat is hij opvallend stil. Bij het nest en tussen partners klinkt een ijl, wat klaaglijk fluitend psie-joe en een reeks van korte, blaffende kek-kek-noten, geluiden die nauwelijks bij de vogel lijken te passen. Buiten het broedterritorium hoor je hem vrijwel nooit; jonge vogels bedelen wel luid en aanhoudend bij hun ouders.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zeer grote donkere arend met lange, vingerige vleugels die tijdens het zeilen in een ondiepe V worden gedragen, en met de kenmerkende lange wigstaart. Volwassen vogels zijn zwartbruin met roodbruine nekveren en een bleke schouderbaan; het vrouwtje is groter en iets valer. Jonge vogels zijn middenbruin met een goudbruine nek en lichte vleugelvlekken en worden pas na een jaar of tien geheel donker. De poten zijn tot aan de tenen bevederd.
Verwarringssoorten
De witbuikzeearend (Haliaeetus leucogaster) heeft eveneens een wigvormige staart, maar die is kort en wit, de onderdelen zijn wit en de poten zijn onbevederd; hij blijft bij water. De Australische dwergarend (Hieraaetus morphnoides) heeft dezelfde vorm in het klein, met een korte rechte staart en veel snellere vleugelslag. De zwartborstwouw (Hamirostra melanosternon) van het binnenland is kort en breed van staart en toont grote witte vlekken in de handpennen, een tekening die de wigstaartarend nooit heeft.
Leefgebied
Van zeeniveau tot boven de boomgrens in de Australische Alpen, met een voorkeur voor droog eucalyptusbos, savanne, mulga en beweid rangeland waar hij op afstand kan overzien. Gesloten regenwoud en dichte kustheide mijdt hij, maar rotswanden, gorges en steenpuin gebruikt hij om op te stijgen en soms om op te nesten. Voor het nest heeft hij een hoge boom met een stevige vork nodig, en datzelfde nest wordt jaren achtereen verder opgebouwd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele Australische vasteland en op Tasmanië, en verder in het zuiden van Nieuw-Guinea; in Nieuw-Zeeland ontbreekt hij. Volwassen vogels houden jaarrond een territorium aan, terwijl onvolwassen vogels honderden kilometers rondzwerven en zich verzamelen waar veel aas ligt. In de twintigste eeuw is hij tientallen jaren met premies bejaagd omdat men hem lammeren aanrekende; sinds de wettelijke bescherming in de jaren zeventig zijn de aantallen in de meeste staten weer stabiel.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem midden op de dag, wanneer de thermiek staat: hij komt dan hoog boven een heuvelrug of een gorge, en de ondiepe V met de lange wigstaart is op kilometers afstand te lezen. Rijd langs een weg met aangereden kangoeroes en let op de vogels die van het aas opvliegen; jong en oud staan daar vaak naast elkaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een verspreiding die het hele continent beslaat en aantallen die na het staken van de premiejacht zijn hersteld. De Tasmaanse ondersoort Aquila audax fleayi staat er anders voor: minder dan duizend vogels, gevoelig voor verstoring bij het nest en voor het verdwijnen van oude nestbomen. Overal drukken aanrijdingen bij aas op de weg, botsingen met leidingen en turbines, en illegaal afschot.
Wetenschappelijke naam
Aquila audax | (Latham, 1801)
Latham beschreef de vogel in 1801 als Vultur audax, bij de gieren; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aquila werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is het gewone Latijnse woord voor arend. audax betekent 'vermetel, stoutmoedig'. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales; de Nederlandse en Engelse naam wijzen allebei op de staart, die de soort van elke andere Australische roofvogel scheidt.





