Alle soortenPinguïnsPinguïns › Geeloogpinguïn

Geeloogpinguïn | Megadyptes antipodes

Yellow-eyed Penguin | Pingüino ojigualdo

De geeloogpinguïn is de grootste pinguïn die op het Nieuw-Zeelandse vasteland broedt en de enige met een bleekgele band die van het oog om het achterhoofd loopt. Hij broedt niet in kolonies maar per paar, uit het zicht van de buren, en dat maakt hem tegelijk moeilijk te tellen en makkelijk te verstoren.

Geeloogpinguïn (Megadyptes antipodes)
Foto: Pavel Špindler — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het nest klinkt een luide, schelle balk die aan die van de kuifpinguïns doet denken maar hoger en trillender is: een oplopend iii-aaa dat een paar met opgeheven kop in duet uitvoert. Daarnaast geven vogels een kort, blaffend contactgeluid als ze elkaar op het strand tegenkomen. Op zee zwijgen ze; alles wat je hoort komt van land, en meestal in het uur rond zonsondergang.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, rechtop staande pinguïn met leiblauwe bovendelen, witte onderdelen en een lichtgele band die vanaf elk geel oog om de nek naar achteren loopt. De kruin is bleekgeel met fijne zwarte schachtstrepen, de snavel roodbruin met lichte hoornkleur, de poten roze met zwart. Jonge vogels missen de gele band, hebben een grijs in plaats van geel oog en een veel valere, vuilwitte kop. Op het water ligt hij hoog en dik van nek.

Verwarrings­soorten

De dikbekpinguïn (Eudyptes pachyrhynchus) broedt aan dezelfde zuidwestkusten en heeft een gele wenkbrauwstreep met losse pluimen, een roder oog en een zwaardere snavel — geen band om het achterhoofd. De dwergpinguïn (Eudyptula minor) is half zo groot en helemaal blauwgrijs en wit zonder geel. Jonge geeloogpinguïns zijn het lastigst: zoek dan naar de vage aanzet van de nekband en naar de lichtere, minder contrastrijke kop dan bij welke kuifpinguïn ook.

Leefgebied

Broedplaatsen liggen op rotskust en zeeklif en in de dekking daarachter: oud kustbos, opslag van manuka en matagouri, vlasbossen en de windsingels van boerenland. Gefoerageerd wordt op het continentaal plat, waar hij naar de bodem duikt tussen kelp en op rotsgrond, meestal binnen twintig kilometer van de kust en overdag. Op de Auckland- en Campbelleilanden zit hij in de poa-tussock boven de rotskust van de subantarctische zee.

Verspreiding en trek

Vier vastelandsgebieden op het Zuidereiland — de Catlins, het schiereiland van Otago, Noord-Otago en het schiereiland van Banks — plus Stewart Island met zijn nabije eilanden, en verder de Auckland- en Campbelleilanden. Het zwaartepunt ligt in de subantarctische eilanden; het vasteland herbergt nog geen tweehonderdvijftig broedparen. De vastelandspopulatie is sinds de jaren negentig sterk teruggelopen en het broedgebied is aan de noordrand ingekrompen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk vanaf een uitkijkpunt of schuilhut in het laatste uur voor donker, wanneer de vogels na een dag op zee aan land komen. Blijf van het strand af en houd de horizon vrij: een geeloogpinguïn die mensen ziet, blijft in de branding wachten en verliest de tijd die hij nodig heeft om zijn jong te voeren.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), met wereldwijd zo'n tweeduizendzeshonderd tot drieduizend volwassen vogels en een vastelandspopulatie die in dertig jaar tot een fractie is geslonken. Op land doden hermelijnen, fretten, katten en loslopende honden kuikens en broedende vogels; op zee gaan vogels verloren in staande netten en trawls, en bij hoge zeewatertemperatuur dalen overleving en broedsucces doordat het bodemvoedsel terugloopt. Daarbovenop komen uitbraken van difterie en van ademhalingsziekte.

Wetenschappelijke naam

Megadyptes antipodes | (Hombron & Jacquinot, 1841)

Hombron en Jacquinot beschreven de vogel in 1841 als Catarrhactes antipodes; omdat hij later in een eigen geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megadyptes werd in 1880 ingevoerd door Milne-Edwards, van het Griekse megas, 'groot', en dyptes, 'duiker'. antipodes betekent 'van de tegenvoeters', zoals het uiterste zuiden vanuit Europa werd aangeduid. Het typemateriaal kwam van de Aucklandeilanden; de Māorinaam hoiho verwijst naar de schelle roep bij het nest.