Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Ezelspinguïn

Ezelspinguïn | Pygoscelis papua

Gentoo Penguin | Pingüino papúa

De ezelspinguïn is de derde in grootte van alle pinguïns: een forse, donkergrijze vogel met een brede witte band die als een muts over de kruin van oog naar oog loopt, en met een feloranje snavel. Hij is de snelste zwemmer van alle pinguïns en haalt onder water tot zesendertig kilometer per uur.

Ezelspinguïn (Pygoscelis papua)
Foto: Liam Quinn — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie klinkt een luid, kraaiend aa, a-ha, a-ha, a-ha, eh dat de vogel met de snavel recht omhoog en de flippers gespreid uitstoot — een geluid waaraan het Nederlandse 'ezel' zijn recht ontleent. Op zee en bij het aanlanden geeft hij een korte, harde kaw als contactroep. Jongen bedelen met een aanhoudend piepend gekwetter dat boven het kolonielawaai uitkomt.

Luister: DuetXC1079177

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · Volunteer Point, Falkland Islands, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

Een grote pinguïn van rond de tachtig centimeter, donker blauwgrijs op kop, hals en rug en wit van onderen, met als vaste kenmerk een witte driehoek boven elk oog die door een smalle witte band over de kruin verbonden is. De snavel is oranjerood met een zwarte punt en zwarte bovenrand, de voeten zijn oranje. De staart is opvallend lang en veegt bij het lopen over de grond, langer dan bij welke andere pinguïn ook. Jonge vogels hebben een doffere snavel en een onvollediger, gevlekte witte kopband.

Verwarrings­soorten

Binnen dit kaartvenster ontmoet hij op Macquarie-eiland de koningspinguïn (Aptenodytes patagonicus), die veel groter is, een grijze rug heeft en oranje oorvlekken in plaats van een witte kruinband, en Schlegels pinguïn (Eudyptes schlegeli), die kleiner is en oranjegele kuifveren op het voorhoofd draagt. Geen enkele andere pinguïn hier heeft de combinatie van witte kruinband, oranjerode snavel en lange, slepende staart. Op afstand en op zee is de oranje snavel het kenmerk dat als eerste door de verrekijker komt.

Leefgebied

Subantarctische zee en het ondiepe water rond de broedeilanden, waar hij dichter bij huis blijft dan de meeste pinguïns en vooral op kril, kleine vis en inktvis duikt. Kolonies liggen op vlak, open terrein achter het strand: op grind, keienvelden, oude moreneruggen en tussen poa-tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), waar het nest een lage ring van steentjes en veerresten is. Anders dan de meeste soorten verlegt hij zijn kolonie met enige regelmaat naar schoner terrein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen dit kaartvenster broedt hij alleen op Macquarie-eiland, dat bestuurlijk bij Tasmanië hoort; daarbuiten telt de soort kolonies op Zuid-Georgië, de Falklands, Kerguelen, Heard en het Antarctisch Schiereiland. Op het Nieuw-Zeelandse vasteland is hij een dwaalgast met zes gevallen tussen 1970 en 2011, en verder verschijnt hij nu en dan op Campbell Island en de Snares. In Australische wateren buiten Macquarie is hij niet te verwachten.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Hij is in dit gebied alleen te zien vanaf een expeditieschip naar Macquarie-eiland, en dan meteen: zoek in de wirwar van pinguïns op het strand naar de vogel met de oranje snavel en de witte muts — hij valt tussen honderdduizenden Schlegels pinguïns met hun geeloranje kuif onmiddellijk op. Kijk ook naar de staart: een pinguïn die een spoor door het grind veegt, is deze.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met wereldwijd in de orde van driehonderdduizend broedparen en een stand die van jaar tot jaar sterk kan schommelen, maar zonder aanwijzing voor een langdurige daling. Op Macquarie-eiland zijn konijnen, ratten, muizen en katten inmiddels uitgeroeid — het eiland werd in 2014 ongediertevrij verklaard — zodat de kolonies daar niet langer van landroofdieren te lijden hebben. Wat wel weegt, is de zee: verschuivingen in het kril- en visaanbod en de warmte van het oppervlaktewater bepalen hoeveel jongen een kolonie grootbrengt.

Wetenschappelijke naam

Pygoscelis papua | (Forster, 1781)

Johann Reinhold Forster beschreef de soort in 1781 als Aptenodytes papua; omdat ze later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton papua is een vergissing die is blijven staan: Forster meende dat de vogel bij Nieuw-Guinea thuishoorde, terwijl de dichtstbijzijnde kolonie op duizenden kilometers daarvandaan ligt en het typemateriaal van de Falklandeilanden kwam. Wagler voerde het geslacht Pygoscelis in 1832 in, van het Griekse pugē, 'stuit', en skelos, 'been' — naar de ver naar achteren geplaatste poten. De Nederlandse naam verwijst naar de balkende koloniestem.