Alle soorten › Zangvogels › Australische babbelaars › Grijskruinbabbelaar
Grijskruinbabbelaar | Pomatostomus temporalis
Grey-crowned Babbler | Gárrulo coronigrís
De grijskruinbabbelaar leeft in luidruchtige groepen van vier tot twaalf vogels die achter elkaar aan door open bos scharrelen, met de lange staart omhoog en de kromme snavel in het strooisel. De groep bouwt meerdere grote, overdekte takkennesten in de boomvorken, waarvan er één wordt bebroed en de andere dienen om in te slapen. Van de vier babbelaars van dit gebied is hij de grootste en wordt hij het vaakst gezien.
Geluid
Een aanhoudend, luid gekwetter en gescheld waarmee de hele groep elkaar op de hoogte houdt; het contactgeluid is een oplopend wie-oe dat van de ene naar de andere vogel gaat. Het opvallendst is het duet van een paar: het vrouwtje roept jaa en het mannetje antwoordt onmiddellijk met ahoe, zo strak op elkaar dat het als één roep klinkt, en dat wordt een aantal keren herhaald. Bij een roofvogel valt de groep stil en klinkt een korte, harde alarmroep. Er wordt het hele jaar geroepen, het meest in de vroege ochtend.
Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Pine Creek, Victoria Daly Region, Northern Territory, Australia · xeno-canto
Herkenning
Vijfentwintig tot negenentwintig centimeter, gemiddeld zevenentwintig, waarvan een groot deel de lange, getrapte staart met witte punt. De bovendelen zijn donker bruingrijs, met een grijze kruinstreep, een donker masker over het oog en daarboven een brede witte wenkbrauwstreep; de keel is wit en loopt naar bleekgrijs op de borst. De snavel is lang en neerwaarts gebogen, de vleugels zijn kort en rond met een kaneelbruin veld dat pas in de vlucht opvalt. Volwassen vogels hebben een bleekgele iris, jonge vogels een donkere. De vogels van het noordwesten zijn donkerder, met een roodbruine onderborst.
Verwarringssoorten
De witbrauwbabbelaar (Pomatostomus superciliosus) is duidelijk kleiner, heeft een smalle wenkbrauwstreep die achter het oog in een punt uitloopt en een donker oog. De roodkruinbabbelaar (Pomatostomus ruficeps) heeft een kastanjebruine kruin en twee witte vleugelstrepen, Halls babbelaar (Pomatostomus halli) een diepe witte bef die scherp op de borst eindigt. De apostelvogel (Struthidea cinerea) leeft eveneens in luidruchtige groepjes op de grond, maar is grijs, heeft een korte dikke snavel en mist de witte wenkbrauw. Ziet men in een groepje een vogel met bleekgele ogen en een brede witte wenkbrauw, dan is de zaak beslist.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en open bos op de binnenlandse vlakten, met een dunne struiklaag, weinig gras en veel gevallen hout en blad — daar wordt gefoerageerd. Ook rivierbos langs kreken, brigalow (dicht acaciabos van binnenlands Queensland), bermstroken langs wegen, boerenland met overgebleven bomen en golfbanen. Hij heeft twee dingen nodig die zelden samengaan: grote bomen met vorken voor de nesten en een bodem met strooisel en dood hout eronder. Dicht bos, kaal beweid land en gesloten struweel worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het noordwesten, noorden, midden en oosten van Australië, en het zuiden van Nieuw-Guinea. De groepen zijn standvogels en verlaten hun terrein niet; jonge vogels blijven jaren bij hun ouders en helpen bij het grootbrengen van de volgende jongen. In het zuidoosten — Victoria en de westelijke hellingen van Nieuw-Zuid-Wales — is de soort in de laatste eeuw sterk teruggelopen en uit veel streken verdwenen, terwijl zij in het noorden en het binnenland algemeen is gebleven. De achteruitgang volgt precies de grens van het versnipperde landbouwland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Volg het geluid: een groep is van ver te horen en verplaatst zich langzaam langs bermstroken en houtwallen, zodat je alle tijd hebt. Kijk in de boomvorken naar de grote overdekte nesten van takken; die verraden een terrein ook wanneer de vogels er niet zijn, en er staan er meestal meerdere bij elkaar. Let bij de vogels zelf op de kleur van het oog: donker betekent een jong dier van dit of vorig seizoen, en dat vertelt dat de groep het goed doet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in het zuidoosten van Australië staat de soort op de regionale lijsten van bedreigde vogels. De oorzaken zijn het opruimen van gevallen hout, het beweiden van de ondergroei en vooral de versnippering: een groep heeft helpers nodig, en een klein, geïsoleerd groepje dat er een paar verliest kan zich niet meer voortplanten en dooft uit. Herstel lukt waar bermstroken en houtwallen aaneengesloten blijven en dood hout blijft liggen.
Wetenschappelijke naam
Pomatostomus temporalis | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Pomatorhinus temporalis, bij de Aziatische kromsnavelbabbelaars; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Pomatostomus is gevormd uit Grieks pomatos (deksel) en stoma (mond), naar het dekseltje dat de neusgaten afsluit. temporalis is Latijn voor 'van de slapen', naar de streep die over de zijkant van de kop loopt. De typelocatie is Shoalwater Bay in Queensland.




