Alle soorten › Zangvogels › Australische babbelaars › Witbrauwbabbelaar
Witbrauwbabbelaar | Pomatostomus superciliosus
White-browed Babbler | Gárrulo cejudo
De witbrauwbabbelaar is de kleinste en verreweg de wijdst verspreide van de Australische babbelaars: van de graanstreek van West-Australië dwars door het zuiden tot in het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales. Hij is grijsbruin, met een lange witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep, een gebogen snavel en een lange, wit gepunte staart. Zoals alle babbelaars leeft hij in rumoerige familiegroepjes die achter elkaar door de struiklaag trekken.
Geluid
Een zacht maar aanhoudend gebabbel van kwetterende, piepende en licht klaaglijke noten, dat de groep tijdens het foerageren voortdurend laat horen; het is duidelijk stiller en hoger dan bij de grijskruinbabbelaar (Pomatostomus temporalis) en mist diens rauwe, gekoppelde roep. Bij verstoring klinkt een snel, scherp ratelend alarm waarop de hele groep in dezelfde struik verdwijnt. Wie het gebabbel eenmaal kent, hoort de soort vaak aan de rand van een akker of langs een wegberm voordat er ook maar één vogel te zien is.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien tot eenentwintig centimeter — de kleinste babbelaar van deze gids. De bovendelen zijn dof grijsbruin, de kruin is donkerbruin, en daaronder loopt een lange, smalle witte wenkbrauwstreep die bij de snavelbasis begint en tot ver achter het oog doorgaat, met daaronder een donkere oogstreep. De keel is wit en gaat geleidelijk, zonder scherpe grens, over in een vuilgrijsbruine borst en buik. Op de vleugel staan geen witte strepen. De snavel is slank en neerwaarts gebogen, de lange donkere staart heeft witte punten die vooral in de vlucht opvallen.
Verwarringssoorten
Halls babbelaar (Pomatostomus halli) is de lastigste: die werd tot 1964 niet van deze soort onderscheiden. Het verschil zit in de onderzijde — bij Halls babbelaar eindigt het wit van de borst in een scherpe, rechte lijn tegen donkerbruin, bij deze soort vervaagt het geleidelijk — en verder is Halls babbelaar donkerder van boven, met een bredere en witter wenkbrauwstreep. Hun arealen overlappen bovendien maar in een smalle strook in zuidwest-Queensland en noordwest-Nieuw-Zuid-Wales. De roodkruinbabbelaar (Pomatostomus ruficeps) heeft een kastanjebruine kruin en twee witte vleugelstrepen. De grijskruinbabbelaar (Pomatostomus temporalis) is duidelijk groter en forser, heeft een bleke middenstreep over de kruin en een groot roodbruin vleugelveld. Een kleine, dof gekleurde babbelaar zonder vleugeltekening met een lange witte wenkbrauw is deze soort.
Leefgebied
Droog, open bos en struweel met een intacte struiklaag: mallee, mulga en ander acaciastruweel, droog eucalyptus-woodland, belah, en ook bosranden langs akkers en wegbermen met resterende opslag. Hij verdraagt landbouwgebied beter dan de andere babbelaars, zolang er struiken blijven staan om in te nestelen. De groep telt meestal twee tot tien vogels, broedt coöperatief en bouwt meerdere grote, overkoepelde takkennesten in hetzelfde terrein; een deel daarvan wordt alleen gebruikt om in te slapen. Het voedsel bestaat uit insecten en andere kleine dieren die van de bodem, uit strooisel en van onder losse bast worden geplukt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Verreweg het grootste areaal van de drie: van de graanstreek en het binnenland van West-Australië oostwaarts over de Nullarbor naar Zuid-Australië, Victoria, het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales en het zuidwesten van Queensland. Hij mijdt de natste kuststreken en het echte tropische noorden. Binnen dat gebied is hij plaatselijk gewoon, maar in sterk ontgonnen akkerbouwstreken is hij teruggelopen tot losse groepjes in wegbermen en restanten struweel. Hij is standvogel en de groepen blijven het hele jaar in hetzelfde terrein.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk naar de onderzijde en naar de vleugel, en houd het areaal in gedachten. In vrijwel heel het zuiden van Australië is een kleine babbelaar met een lange witte wenkbrauw en zonder vleugelstrepen zonder meer deze soort. Alleen in de smalle overlapstrook in het noordoosten moet u nog de borstgrens beoordelen om Halls babbelaar uit te sluiten. Zoek langs wegbermen met resterend struweel en in de randen van malleeblokken: de groep steekt daar vaak achter elkaar over, wat de beste gelegenheid geeft om onderzijde en staartpunt te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is enorm en de soort is in het grootste deel daarvan gewoon. Waar hij verdwijnt, is dat vrijwel altijd het gevolg van het volledig opruimen van de struiklaag: akkerbouw tot aan de perceelsgrens, het branden of rooien van mallee, en begrazing die de ondergroei en het dode hout wegneemt. Overgebleven groepjes in smalle wegbermen zijn kwetsbaar voor predatie door vossen en verwilderde katten, en voor het uitdunnen van de groep, omdat coöperatief broeden helpers nodig heeft.
Wetenschappelijke naam
Pomatostomus superciliosus | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de soort in 1827 als Pomatorhinus superciliosus, naar materiaal van de zuidkust van Australië. De soortnaam is Latijn voor met wenkbrauw, naar de lange witte streep boven het oog, en de Nederlandse en Engelse naam zeggen hetzelfde. Pomatostomus is gevormd uit Grieks poma (deksel) en stoma (mond), naar de bouw van de snavel. In Australië heten deze vogels in de volksmond happy families of twelve apostles, naar het onafscheidelijke groepsleven — een bijnaam die ze delen met de apostelvogel (Struthidea cinerea), waarmee ze niet verwant zijn.

