Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Grijze noddy

Grijze noddy | Anous albivitta

Grey Noddy | Tiñosa gris

De grijze noddy valt uit de toon in zijn geslacht: waar de andere drie noddy's donker zijn met een lichte kap, is hij juist licht blauwgrijs met een witte kop, en alleen een zwarte halvemaan vóór en rond het oog onderbreekt dat bleke geheel. Hij is de kleinste noddy, nauwelijks zwaarder dan zeventig gram, en leeft van wat er op het zeeoppervlak drijft: visjes, garnaaltjes en vooral zeeschaatsenrijders, die hij al trippelend en bijna stilhangend van het water plukt. In dit gebied is hij een vogel van de kliffen van Lord Howe, Norfolk en de noordoostelijke eilandjes van Nieuw-Zeeland.

Grijze noddy (Anous albivitta)
Foto: Christopher Stephens — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een zacht, rollend, purperend prrr of toerr, laag en snorrend en van dichtbij bijna als het geluid van een duif; van een kolonie op een klifrichel klinkt het als een aanhoudend murmelen. Bij het nest komen daar kort blaffende kreetjes en een zacht gekwetter bij tussen de partners. Op zee is hij vrijwel altijd stil, wat hem nog onopvallender maakt.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine stern van vijfentwintig tot dertig centimeter, van boven bleek blauwgrijs, van onderen lichtgrijs tot wit, met een witte kop die naar de rug toe in het grijs overgaat. De handpennen zijn donkerder grijs en de ondervleugel is grijs met een donkere achterrand, zodat de vogel in de vlucht tweekleurig oogt. Voor en rond het oog staat een scherpe zwarte vlek, het enige harde teken op een verder zachte kop. De snavel is kort en zwart, de staart licht gevorkt, de poten zwartgrijs en opvallend groot voor zo'n kleine vogel. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn iets grijzer op de kruin en hebben lichte veerzomen op de mantel. De vlucht is licht en dansend, met hangen en trippelen boven het water.

Verwarrings­soorten

Binnen de noddy's is hij onmiskenbaar: de noddy (Anous stolidus), de witkapnoddy (Anous minutus) en de kleine noddy (Anous tenuirostris) zijn alle drie donker van lijf met een lichte kap, precies andersom dus, en alle drie zwaarder. Het gevaar zit bij andere bleke zeevogels: de opaalstern (Gygis candida) van dezelfde eilanden is zuiver wit in plaats van grijs en heeft een zwarte oogring met een blauwe snavelbasis; een prion kan op afstand net zo grijs-wit ogen, maar heeft een donkere M-tekening over de bovenvleugel en een snelle, scherende zwenkvlucht in plaats van dit lichte dansen. Jonge witkopmeeuwen (Chroicocephalus novaehollandiae) zijn groter, hebben een lichte snavel en poten en vliegen zwaarder.

Leefgebied

Hij foerageert in open zee rond zijn broedeilanden, vaak boven stroomnaden waar drijfgoed samenkomt, en pikt zijn voedsel al hangend en trippelend van het oppervlak zonder ooit te duiken. Broeden doet hij op zeekliffen en rotseilandjes: het enkele ei ligt zonder nest op een kale richel, in een spleet of onder een overhangende steen, vaak op plaatsen waar geen roofdier bij kan. Bebost of begroeid land gebruikt hij niet, en het vasteland evenmin.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In dit gebied broedt hij op Lord Howe en op Norfolk, waar de kolonies vooral op Phillip Island en de omliggende rotsen zitten, en in Nieuw-Zeeland op de Kermadec-eilanden, de Three Kings, de Poor Knights en andere rotseilandjes voor de noordoostkust van het Noordereiland. Dat is meteen de zuidelijke grens van de soort in de Grote Oceaan. Op het Australische vasteland is hij een zeldzaamheid — meestal een uitgeputte vogel na een cycloon — en langs de Nieuw-Zeelandse kust wordt hij vooral na aanhoudende noordooststorm gezien.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem vanaf de boot bij een rotseilandje: op de Poor Knights of rond Phillip Island vliegen de vogels laag om de klif en laten ze zich tot op enkele meters benaderen. Let op het vlieggedrag — stilhangen en met de poten het water aantikken is typisch en scheidt hem meteen van elke prion. Kijk in een groep bleke zeevogels naar de kop: een witte kop met één zwarte oogvlek boven een grijs lijf kan hier niets anders zijn.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar de soort is nergens talrijk en op de Nieuw-Zeelandse lijst geldt ze als van nature schaars. Omdat ze op kale richels broedt en maar één ei legt, is ze bijzonder gevoelig voor ingevoerde ratten en katten; op eilanden waar die zijn opgeruimd — Raoul in de Kermadecs is het bekendste voorbeeld — herstelt ze zich. Verder tellen erosie van de klifrichels, storm in het broedseizoen en veranderingen in het planktonrijke oppervlaktewater mee.

Wetenschappelijke naam

Anous albivitta | (Bonaparte, 1856)

Bonaparte beschreef de soort in 1856 als Procelsterna albivitta; omdat ze tegenwoordig in Anous staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anous, van Stephens uit 1826, is Oudgrieks voor 'zonder verstand'; het oude geslacht Procelsterna was een samentrekking van Procellaria en Sterna, naar de stormvogelachtige indruk die deze bleke vogels maken. albivitta betekent 'met een witte band', naar de lichte kop en nek. De typelocatie is Lord Howe Island, midden in het gebied van deze gids.