Alle soortenSteltloperachtigenJagers › Middelste jager

Middelste jager | Stercorarius pomarinus

Pomarine Jaeger | Págalo pomarino

De middelste jager is de zwaarste van de drie kleine jagers die vanaf de arctische toendra in Australische en Nieuw-Zeelandse wateren belanden: tonvormig van borst, met een dik hoofd, een zware haaksnavel en brede vleugels waarin een grote witte flits oplicht. De volwassen zomervogel draagt twee middelste staartpennen die aan het eind tot een gedraaide lepel zijn verbreed — een kenmerk dat geen enkele andere zeevogel heeft, maar dat de vogels hier meestal al kwijt zijn. Hij achtervolgt sterns en meeuwen tot ze hun vangst loslaten, maar pakt net zo goed zelf een prooi.

Middelste jager (Stercorarius pomarinus)
Foto: peterichman — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In deze wateren is hij bijna altijd stil. Wanneer hij toch geluid maakt, is het een hard, meeuwachtig kauk of gek als alarm, en tussen vogels onderling een miauwend contactgeluid. Op de broedgronden in het noorden klinkt daarnaast een reeks harde, ratelende keelklanken en een roep die als wits-joe wordt weergegeven. Een waarnemer op het zuidelijk halfrond hoort hooguit de korte alarmroep, meestal wanneer twee jagers ruzie maken om dezelfde stern.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse jager van bijna een halve meter, met een spanwijdte van ruim een meter en een gewicht van vijfhonderdvijftig tot ruim negenhonderd gram — anderhalf keer zo zwaar als een kleine jager. De bouw is de sleutel: dikke nek, brede borst, brede vleugels met een tragere en zwaardere slag dan bij de andere twee, en een opvallend dikke, tweekleurige haaksnavel. In de vleugel loopt een dubbele witte flits: zes tot acht van de handpenschachten zijn wit, meer dan bij welke andere jager ook, en op de ondervleugel komt daar een tweede lichte sikkel bij. De zomervogel heeft twee gedraaide lepelvormige staartpennen die tot elf centimeter uitsteken; buiten de broedtijd zijn ze kort of afgebroken, en dan lijkt de staart stomp. Kleedvormen — licht met donkere pet en borstband, donker roetbruin, en alles daartussen — variëren zo sterk dat ze geen determinatiemiddel zijn; ga af op formaat, snavel en vliegbeeld.

Verwarrings­soorten

De kleine jager (Stercorarius parasiticus) is de vaste tegenhanger: ongeveer een kwart lichter, met een kleiner hoofd, smallere vleugels en een snellere, valkachtige vlucht, en bij de volwassen vogel spitse in plaats van lepelvormige staartpennen. De kleinste jager (S. longicaudus) is nog de helft lichter dan de kleine jager, kouder grijs van boven, met heel lange dunne staartlinten, een zwevende sternachtige vlucht en slechts twee of drie witte penschachten, zodat de vleugelflits nauwelijks opvalt. De bruine jager (S. antarcticus) en de zuidpooljager (S. maccormicki) zijn echte grote jagers: nog zwaarder gebouwd, met een kortere wigstaart en een veel grotere witte vleugelvlek, en zonder de behendige achtervolgingsvlucht. Jonge vogels van alle drie de kleine jagers zijn fijn dwars gebandeerd en lijken sterk op elkaar; zwaarte van de snavel, breedte van de vleugel en het aantal witte penschachten brengen je verder dan de kleur.

Leefgebied

In dit gebied is hij uitsluitend buiten de broedtijd aanwezig en dan een zeevogel: de wateren boven het continentaal plat en de plaatrand, en langs open zandkusten waar sterns en meeuwen vissen. Anders dan de kleine jager mijdt hij beschutte baaien en havens; hij wordt eerder achter de branding van een lange strandboog gezien dan in een estuarium. Hij volgt viskotters en drijvende aasscholen, en tijdens de trek vliegt hij soms een stuk over land langs de kust. Broeden doet hij op de natte arctische toendra, ver buiten dit kaartvenster.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt rond de hele noordpool, in arctisch Eurazië en Noord-Amerika, en overwintert op zee in de tropische en zuidelijke oceanen. In Australië is hij een jaarlijkse gast in alle tien de gemeten jaren, met de meeste waarnemingen langs de oost- en zuidoostkust van Zuidoost-Queensland tot de grens van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en daarnaast in de tropische noordelijke wateren. In Nieuw-Zeeland is hij een regelmatige maar niet talrijke bezoeker van december tot april, met het zwaartepunt bij Auckland, zuidwaarts tot Foveaux Strait en oostwaarts tot de Chathams — vrijwel altijd voor de open zandkusten en zelden in beschut water. Van Norfolk zijn geen waarnemingen bekend.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen december en april op een landtong langs een lange zandkust staan en kijk naar de bouw van de vogel, niet naar de kleur: een jager die met brede vleugels en trage slag boven de branding kruist en daarbij een dik, bijna meeuwachtig hoofd toont, is deze soort. Op een pelagische tocht komt hij soms naar het lokaas, en dan is de dubbele witte flits op de ondervleugel in één foto vast te leggen. Volwassen vogels die vroeg in het seizoen aankomen kunnen de lepelstaart nog dragen; dat is de enige waarneming waarbij geen twijfel mogelijk is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de wereldpopulatie is groot en het broedgebied is uitgestrekt en grotendeels onbewoond. Het aantal broedparen schommelt echter enorm van jaar tot jaar, omdat de soort op de toendra sterk afhankelijk is van lemmingen — in een topjaar broeden veel paren met succes, in een dal jaar slaan hele streken het broeden over. Daardoor is ook het aantal vogels dat het zuidelijk halfrond bereikt van jaar tot jaar wisselend, en zijn trends moeilijk te meten. Voor Australische en Nieuw-Zeelandse wateren bestaan geen tellingen; wat er is, komt van zeetrektellingen en uit de logboeken van pelagische tochten.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius pomarinus | (Temminck, 1815)

Temminck beschreef de soort in 1815 als Lestris pomarinus, in de eerste uitgave van zijn Manuel d'ornithologie; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie is het arctische deel van Europa. pomarinus is een verkorte vorm van pomatorhinus, uit het Grieks pōma, pōmatos, 'deksel', en rhis, rhinos, 'neusgat': het slaat op de hoornen waslaag die bij de jagers de neusgaten aan de snavelbasis overdekt. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse stercus, 'mest'. Opvallend genoeg wijst genetisch onderzoek uit dat deze soort ondanks haar naam en formaat dichter bij de grote jagers staat dan bij de twee andere kleine jagers.