Alle soortenSteltloperachtigenJagers › Kleine jager

Kleine jager | Stercorarius parasiticus

Parasitic Jaeger | Págalo parasítico

De kleine jager is de zeerover van de Australische en Nieuw-Zeelandse kustwateren: een slanke, valkachtige vogel die sterns zolang achtervolgt tot ze hun vangst loslaten. Hij broedt op de arctische toendra aan de andere kant van de wereld en is hier in de Australische zomer, van oktober tot april, vlak buiten de branding en boven de havenmondingen. Volwassen vogels dragen twee spitse, verlengde middelste staartpennen, en er komt zowel een lichte als een donkere kleurvorm voor.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)
Foto: USFWSAlaska — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

In dit gebied is hij vrijwel altijd zwijgzaam: wie hem wil horen moet naar de broedgronden in het noorden. Daar klinkt een nasaal, katachtig ie-èh dat aan een miauw doet denken, en boven het territorium een gerekt, klagend gejank. Bij een achtervolging boven zee ontsnapt hem soms een kort, hakkend kèk-kèk, meestal wanneer twee jagers dezelfde stern hebben uitgekozen. Meer dan dat hoort een waarnemer op het zuidelijk halfrond niet.

Luister: VluchtroepXC1157231

Opname: Teet Sirotkin — CC BY-SA 4.0 · Stormyra, Kongsfjord, Finnmark, Norway · xeno-canto

Herkenning

Een slanke jager ter grootte van een kokmeeuw, met smalle spitse vleugels en een snelle, wendbare vlucht die eerder aan een valk dan aan een meeuw doet denken. De lichte vorm heeft een donkere pet, geelachtige wangen, een witte onderzijde en meestal een vage grijze borstband; de donkere vorm is egaal roetbruin, en in deze wateren is die vorm goed vertegenwoordigd. Beide tonen een lichte flits aan de basis van de handpennen, doordat een handvol veerschachten wit is. Volwassen vogels dragen twee spitse middelste staartpennen die vijf tot acht centimeter achter de staart uitsteken. Jonge vogels zijn warm bruin en fijn dwars gebandeerd, met korte, stompe staartpunten, en zijn veruit het lastigst; mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

De middelste jager (Stercorarius pomarinus) is zwaarder gebouwd, met bredere vleugels, een tragere meeuwachtige slag en bij de volwassen vogel middelste staartpennen die tot een gedraaide lepel zijn verbreed. De kleinste jager (S. longicaudus) is slanker en kouder grijs van boven, mist de borstband en draagt zeer lange, dunne staartlinten; hij vliegt licht en verend als een stern en zit verder uit de kust. De bruine jager (S. antarcticus) en de zuidpooljager (S. maccormicki) zijn tonvormig en fors, egaal bruin met grote witte vleugelvlekken, en jagen niet met de wendbaarheid van een valk. Jonge vogels van alle jagers lijken op elkaar; ga af op bouw, snavelzwaarte en de vorm van de staartpunten, niet op de kleur.

Leefgebied

Buiten de broedtijd — en dat is de enige tijd waarin hij hier is — leeft hij op zee: de strook boven het continentaal plat, de mondingen van baaien en havens, en de zee vlak achter de branding waar sterns vissen. Hij volgt sternkolonies, viskotters en scholen aas naar de kust, en verschijnt in estuaria en boven zandbanken waar sterns rusten. Op het land komt hij hier vrijwel niet, hooguit rustend op een zandbank of een strandhoofd. Broeden doet hij op de lage arctische toendra, ver buiten dit gebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt rond de hele noordpool, van Groenland, IJsland en Schotland tot in Siberië, Alaska en het noorden van Canada, en verlaat het noorden na het broedseizoen volledig. In de Australische zomer bereikt hij de kustwateren van Australië en Nieuw-Zeeland; het talrijkst is hij langs de zuidoostkust van Australië, in de Tasmanzee en rond beide Nieuw-Zeelandse hoofdeilanden. De aankomst valt in oktober en november, het vertrek in maart en april, met een enkele vogel die de Australische winter hier blijft hangen. Op Norfolk is hij een schaarse verschijning.

  • Jaarrond
  • Zomergast (broedt hier niet)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen november en maart op een landtong of het havenhoofd staan en zoek niet naar de jager zelf, maar naar de onrust: een groep tara-sterns of grote kuifsterns die plotseling uiteenstuift, met daaronder één donkere vogel die er één slachtoffer uit kiest. De achtervolging duurt vaak een halve minuut en eindigt in een duikvlucht waarin de buit in de lucht wordt opgevangen. Op een pelagische tocht loont het de kleine jager bij de boot te zoeken zodra er sterns bij het lokaas komen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de wereldpopulatie wordt op ruim drie miljoen vogels geschat. Regionaal is het beeld minder gerust — aan de noordoostkant van de Atlantische Oceaan zijn de aantallen sinds de jaren negentig sterk gedaald, omdat de sterns en drieteenmeeuwen waarvan hij daar leeft zelf slecht broeden. Voor de Australische en Nieuw-Zeelandse wateren bestaan geen tellingen; wat er is, komt uit de logboeken van pelagische tochten en van zeetrektellingen langs de kust.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus, bij de meeuwen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse stercus, 'mest': zeelieden meenden dat de vogel de uitwerpselen at die zijn slachtoffers in de vlucht lieten vallen, terwijl het in werkelijkheid om de uitgebraakte vis ging. parasiticus betekent 'parasitisch', naar het Griekse parasitos, iemand die aan andermans tafel eet. Linnaeus gaf als herkomst het gebied binnen de Kreeftskeerkring van Europa, Amerika en Azië; de typelocatie is later beperkt tot de kust van Zweden.