Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Grote kuifstern
Grote kuifstern | Thalasseus bergii
Greater Crested Tern | Charrán piquigualdo
De grote kuifstern is de stern die je op elke Australische pier, golfbreker en zandbank tegenkomt: groot, stevig gebouwd, met een lange citroengele snavel en een ruige zwarte kuif die in de wind overeind gaat staan. Na de reuzenstern is het de grootste stern van dit gebied, en met meer dan een half miljoen vogels ook een van de talrijkste zeevogels van Australië.
Geluid
Een hard, krassend en wat schor krie-krek of kèrr-kèrr, vaak in de vlucht en veel rauwer dan het schelle geroep van de kleinere sterns. Boven een kolonie versmelten honderden van die noten tot een aanhoudend, ratelend geraas dat je al ruim voor het eiland hoort. Jonge vogels bedelen met een dun, hoog en herhaald gepiep, en blijven dat maanden na het uitvliegen doen, ook op zee.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote stern van bijna een halve meter, met een spanwijdte van rond de vijf kwart meter en een gewicht van ruim driehonderd gram. De snavel is lang — vijf en een halve tot ruim zes en een halve centimeter — recht, krachtig en citroen- tot groengeel; de poten zijn zwart. De kruin draagt een zwarte kap met een lange, borstelige kuif in de nek, maar tussen snavel en kap blijft altijd een smalle witte voorhoofdsband staan, ook op het hoogtepunt van het broedseizoen; buiten het seizoen loopt dat wit door tot over de kruin en blijft alleen de kuif donker. De mantel is middelgrijs en steekt af tegen een witte stuit en staart, en de staart is diep gevorkt. De vlucht is krachtig en recht, met trage slagen; hij vist met een schuine duik en volgt geregeld vissersboten voor wat overboord gaat.
Verwarringssoorten
De bengaalse stern (Thalasseus bengalensis) is de tweelingsoort en het probleem waar het om draait: die is duidelijk kleiner en lichter (35–43 cm tegen 46–49, en ruim een derde minder gewicht), maar op een zandbank zonder vergelijking zegt dat weinig. De snavelkleur beslist: citroengeel tot groengeel bij de grote kuifstern, warm oranje bij de bengaalse stern. Kijk daarna naar het voorhoofd — de grote kuifstern houdt zijn witte voorhoofdsband het hele jaar, terwijl bij de bengaalse stern in broedkleed het zwart tot aan de snavelbasis doorloopt — en naar de stuit, die bij de grote kuifstern wit afsteekt tegen de grijzere mantel en bij de bengaalse stern even grijs is als de rug. De reuzenstern (Hydroprogne caspia) is nog forser, heeft een dikke rode snavel, een veel kortere staart en donkere ondervleugelpunten. De australische lachstern (Gelochelidon macrotarsa) en de lachstern (Gelochelidon nilotica) hebben een korte, gitzwarte snavel en geen kuif. De tara-stern (Sterna striata) is kleiner, tenger en zwartsnavelig.
Leefgebied
Kustwateren en het continentaal plat, van de branding tot ver buiten het zicht van de kust; daarbinnen vooral de beschutte kant: baaien, estuaria, havens, riffen en zandbanken. Hij broedt in dichte kolonies op vegetatiearme eilandjes, koraalcayes en schelpenbanken voor de kust, met de nesten op nauwelijks een meter van elkaar. Buiten de kolonie rust hij op pieren, golfbrekers, boeien, paalwerk en droogvallende platen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Langs de gehele Australische kust, van de Kimberley en het Great Barrier Reef tot Tasmanië en de Houtman Abrolhos, met broedkolonies op honderden eilandjes; de Australische ondersoort is met ruim een half miljoen vogels veruit de talrijkste van de vijf. Ook op Norfolk is hij gezien. In Nieuw-Zeeland is hij daarentegen een zeldzame dwaalgast, met slechts enkele tientallen waarnemingen: wie hem daar op een strand vindt, kijkt naar een bijzonderheid en niet naar de standaard-kuifstern.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop een haven of een vissersteiger af en kijk naar de rustende sterns op de palen: dit is bijna altijd de soort die er zit, en de gele snavel is op honderd meter al te zien. Staat er een kleinere vogel tussen met een oranje snavel, kijk dan meteen nog eens goed — dan heb je beide kuifsterns naast elkaar en is het formaatverschil in één blik duidelijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een stabiele wereldpopulatie van meer dan een half miljoen vogels en het zwaartepunt daarvan in Australië. Dat het goed gaat, komt doordat hij op roofdiervrije eilanden broedt en zich makkelijk aanpast: hij volgt vissersboten en gebruikt havens, pieren en kunstmatige eilandjes zonder bezwaar. Waar het misgaat, gaat het om kolonies op eilandjes die toegankelijk zijn geworden voor ratten of bezoekers, en om verstoring door boten in het broedseizoen; in enkele delen van Zuidoost-Azië lopen de aantallen daardoor terug.
Wetenschappelijke naam
Thalasseus bergii | (Lichtenstein, 1823)
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Sterna bergii; omdat ze later naar Thalasseus is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Boie en komt van het Griekse thalasseus, 'van de zee'. Het epitheton eert Carl Heinrich Bergius, een Pruisische apotheker en verzamelaar die de eerste exemplaren bij Kaapstad bijeenbracht; de typelocatie is dan ook de Kaap de Goede Hoop. De Nederlandse en Engelse naam wijzen allebei op de kuif, de Spaanse op de gele snavel.




