Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Kleine woestijnplevier

Kleine woestijnplevier | Anarhynchus mongolus

Siberian Sand Plover | Chorlitejo mongol chico

De kleine woestijnplevier is een gedrongen, kortsnavelige zandplevier uit het noordoosten van Siberië die de Australische zomer op de kust doorbrengt. In broedkleed is hij onmiskenbaar, met een diep kastanjebruine borst en een zwart masker, maar de meeste vogels hier dragen het vale wintergrijs en moeten dan zorgvuldig van de woestijnplevier worden onderscheiden. Sinds de opsplitsing van de vroegere kleine woestijnplevier in 2023 is dit de Siberische soort, de enige van de twee die deze kant op trekt.

Kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een korte, harde, rollende triller, drrit of tsjirrup, vaak in tweeën gebroken als tsjie-tik, en dat droge rateltje is het beste onderscheid met de zachtere, meer fluitende roep van de woestijnplevier. Een groep die opvliegt van een hoogwatervluchtplaats produceert een golf van korte trillers door elkaar. Foeragerende vogels zwijgen vrijwel geheel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een compacte, kortnekkige plevier van twintig centimeter met een verhoudingsgewijs grote, ronde kop en een korte, fijne zwarte snavel: die snavel is ongeveer even lang als de afstand van de snavelbasis tot de achterrand van het oog, en dat is het bruikbaarste van alle maten. De poten zijn donkergrijs tot zwartgrijs, soms met een olijfzweem, en de onderpoot boven het hielgewricht is kort, zodat de vogel laag en gedrongen oogt. In winterkleed is hij grijsbruin van boven en wit van onderen, met een witte wenkbrauw, donkere teugels en oorstreek en een grijsbruine borstvlek aan weerszijden die zelden tot een gesloten band doorloopt. In broedkleed loopt een diepe, brede kastanjebruine band over borst en bovenbuik, meestal met een zwarte rand aan de bovenkant, en is het gezicht zwart met een wit voorhoofd. In de vlucht is er een smalle witte vleugelstreep en steken de tenen nauwelijks voorbij de staartpunt.

Verwarrings­soorten

De woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) is het grote vraagstuk en staat vaak in dezelfde groep: die is groter, tweeëntwintig tot vijfentwintig centimeter, met een duidelijk langere en zwaardere snavel met een hoekige kinstreep en een stompe, gezwollen punt, langere en blekere poten — grijsgroen tot geelgrijs in plaats van zwartgrijs — en een langer achterlijf, waardoor de tenen in de vlucht wél voorbij de staart uitsteken. In broedkleed is de kastanjebruine band van de woestijnplevier smaller en bleker en mist hij meestal de zwarte bovenrand. De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) heeft olijfgele poten en staat rechter op. De steppenplevier (Anarhynchus veredus) is langpotiger, langhalziger en bruiner, mist de witte vleugelstreep vrijwel geheel en staat op droge binnenlandvlakten in plaats van op het wad. De roodkopplevier (Anarhynchus ruficapillus) is veel kleiner en bleker met zwarte poten, en de strandplevier (Anarhynchus alexandrinus) is bleker met een witte halsring in de nek. De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) en de amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus) hebben een gesloten donkere borstband en oranje of gele poten.

Leefgebied

Wadplaten en slikken van estuaria en baaien om te foerageren, en aangrenzende zandstranden, schelpenbanken en zandbanken om bij hoogwater te rusten. Daarnaast koraalplaten en rotsige platforms in het noorden en, minder vaak, de oevers van zoutwinningsbekkens en afvalwaterterreinen. Het is een uitgesproken kustvogel die het binnenland nagenoeg mijdt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Overwintert langs vrijwel de hele Australische kust, maar duidelijk het talrijkst van de kust van Queensland tot in Nieuw-Zuid-Wales: de grootste tellingen komen uit de delta van de Burdekin, uit Moreton Bay en uit het gebied rond Mackay, elk met een tot twee duizend vogels. De Australische winterstand wordt op ongeveer twintigduizend vogels geschat, op een populatie van rond zesentwintigduizend voor de hele trekweg. De vogels arriveren vanaf augustus en september, blijven de hele Australische zomer en vertrekken in maart en april weer noordwaarts; onvolwassen vogels blijven vaak een jaar over en zijn dus ook in de Australische winter te zien. In Nieuw-Zeeland is het een dwaalgast, met een of twee vogels in de meeste jaren, vooral in Kaipara Harbour en Manukau Harbour.

Waar en wanneer kijken

Zoek bij hoogwater, wanneer de zandplevieren op een strand of schelpenbank dicht opeen staan en je de twee soorten naast elkaar hebt: dan werkt het verschil in snavellengte en pootkleur meteen. Neem de vogel ook in de vlucht: steken de tenen voorbij de staartpunt, dan is het de woestijnplevier. En luister — het korte, droge rateltje drrit hoort bij deze soort en niet bij de grotere.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), en ook onder de Australische natuurwetgeving als bedreigd aangemerkt. De oorzaak ligt niet in Australië maar halverwege de reis: de wadden van de Gele Zee, waar deze vogels op de heen- en terugtrek moeten opvetten, zijn over enkele decennia voor een groot deel ingepolderd voor havens, industrie en aquacultuur, en de vogel kan die schakel niet overslaan. Daarbovenop komen verstoring van hoogwatervluchtplaatsen door strandverkeer en honden en de aantasting van de broedtoendra in het noordoosten van Siberië. Binnen Australië helpt vooral het rustig houden van de bekende hoogwatervluchtplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus mongolus | (Pallas, 1776)

Pallas beschreef de soort in 1776 in het derde deel van zijn Reise durch verschiedene Provinzen des Russischen Reichs als Charadrius mongolus; omdat AviList haar nu in Anarhynchus plaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie zijn de zoutmeren bij de Mongoolse grens, nader bepaald als Kulussutai aan de Onon in Siberië. mongolus betekent 'van Mongolië', in de ruime achttiende-eeuwse zin van dat woord — enigszins misleidend, want de soort broedt niet in het huidige Mongolië maar in het noordoosten van Siberië. Tot 2023 werd ze samengenomen met de Tibetaanse zandplevier; sindsdien heet zij in het Engels naar Siberië.