Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Woestijnplevier

Woestijnplevier | Anarhynchus leschenaultii

Greater Sand Plover | Chorlitejo mongol grande

De woestijnplevier is de grootste van de zandplevieren die hier overwinteren: een stevige, langpotige vogel met een opvallend zware snavel, die van augustus tot april op de Australische wadplaten staat. Zijn naam slaat op het broedgebied in de halfwoestijnen van Centraal-Azië, niet op het gebied waar je hem hier ziet.

Woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii)
Foto: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zachte, rollende triller, trrriet of drrrit, veel lager en droger dan het heldere fluitje van de goudplevieren, meestal bij het opvliegen. Op de plaat is hij stil. In een gemengde groep valt hij eerder op door de manier van lopen dan door zijn stem.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse zandplevier van vierentwintig centimeter, grijsbruin van boven en wit van onderen, met in het niet-broedkleed een onderbroken grijsbruine borstband en een vage lichte wenkbrauw in een verder bruin gezicht. De snavel is het hoofdkenmerk: lang, donker en zwaar, met een duidelijk verdikte, bolle punt, en ongeveer even lang als de afstand van de snavelbasis tot de achterkant van het oog. De poten zijn lang en grijsgroen tot groenbruin. In het broedkleed, dat vogels in maart en april aantrekken, is de borst oranjekastanje en het gezicht zwart met een wit voorhoofd. In de vlucht is er een duidelijke witte vleugelstreep en een grotendeels witte ondervleugel.

Verwarrings­soorten

De kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus) is het lastigste geval en staat vaak in dezelfde groep: kleiner, korter van poot, met een kortere en fijnere snavel zonder bolle punt en met donkergrijze in plaats van grijsgroene poten; bij een losse vogel is de verhouding snavel tot oog beslissend. De steppenplevier (Anarhynchus veredus) heeft bleekgele poten, mist de witte vleugelstreep en heeft een donkere ondervleugel, en loopt bovendien in het binnenlandse gras. De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) is kleiner en compacter en draagt in broedkleed twee banden. In Nieuw-Zeeland is de rosse plevier (Anarhynchus obscurus) net iets groter, maar korter van poot en met een roestige waas over de onderzijde.

Leefgebied

Wad, zandplaat en de brede intergetijdenvlakten van estuaria en baaien, met voorkeur voor een stevige, zandige ondergrond waarop hij zijn stop-en-ren-methode kwijt kan. Daarnaast koraalplaten, zandstrand, mangroverand en zoutwinningsbekkens. Hij eet krabben, wormen en weekdieren, die hij met de zware snavel uit de plaat licht; bij hoogwater schuift hij door naar de gezamenlijke slaapplaats op strand of kwelder.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Hij is vooral een vogel van de noordelijke en westelijke kust van Australië: de grootste concentraties staan op Eighty Mile Beach en in Roebuck Bay bij Broome, met verder groepen langs de Kimberley-kust, de Golf van Carpentaria en de kust van Queensland; naar het zuiden wordt hij snel schaarser. Hij arriveert vanaf augustus en september en vertrekt in maart en april, waarbij een deel van de onvolwassen vogels de Australische winter blijft. Op Nieuw-Zeeland komen de meeste zomers slechts een of twee vogels aan, verspreid van het uiterste noorden tot Southland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga bij opkomend water op een zandige plaat staan en zoek de plevier die het zwaarst gesnaveld is en het hoogst op de poten staat; vergelijk hem meteen met de kleine woestijnplevieren ernaast, want het onderscheid is een kwestie van verhoudingen en niet van kleur. Let er ook op hoe hij zich verplaatst: een lange ren, een abrupte stop, en dan één krachtige greep in de plaat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar in Australië staat de soort als kwetsbaar op de nationale lijst nadat de tellingen op de belangrijkste wadgebieden duidelijk terugliepen. De oorzaak ligt vooral buiten dit gebied: het inpolderen van de wadplaten van de Gele Zee heeft de tussenstations weggenomen waar de vogels op heen- en terugweg moeten bijtanken. Verstoring van de hoogwaterslaapplaatsen langs de Australische kust komt daar bovenop.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus leschenaultii | (Lesson, 1826)

Lesson beschreef de soort in 1826 als Charadrius leschenaultii, in het Dictionnaire des sciences naturelles; door de plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton eert Jean-Baptiste Leschenault de la Tour, de Franse botanicus die met de expeditie van Baudin de Australische kust bereisde en later in Brits-Indië werkte. De typelocatie is dan ook Pondicherry in Zuid-India. Het geslacht Anarhynchus werd in 1830 ingevoerd door Quoy en Gaimard, van het Griekse ana, 'terug', en rhunkhos, 'snavel'.