Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Scheefsnavelplevier
Scheefsnavelplevier | Anarhynchus frontalis
Wrybill | Chorlitejo piquituerto
De scheefsnavelplevier is de enige vogel ter wereld met een snavel die zijwaarts is gebogen, en altijd naar rechts. Verder is het een bescheiden, bleek blauwgrijs plevierje van twintig centimeter met een witte onderzijde en een smalle zwarte borstband. Hij broedt uitsluitend op de kale grindbeddingen van de vlechtende rivieren van het oostelijke Zuidereiland en overwintert vrijwel voltallig op een handvol modderplaten in het noorden van het Noordereiland.
Geluid
De gewone roep is een kort, hoog tsjip, waarmee een vogel aangeeft dat hij iets in de gaten heeft. Wie een indringer wegjaagt laat een snel ratelend tsjurr-r-r horen. Bij de kuikens klinkt een zacht, schrapend contactgeluid dat op een paar meter al wegvalt. Een opvliegende groep boven het wad produceert een opgewonden, hoog gekwetter dat met honderden vogels tegelijk als een golf over de plaat trekt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine, bolle plevier van twintig centimeter en vijfenvijftig gram, effen lichtblauwgrijs van boven — bleker en kouder van tint dan elke andere plevier hier — en helder wit van onderen, met donkergrijze tot zwarte poten. De snavel is lang voor een plevier, zwart, en over de laatste centimeter naar rechts gebogen, twaalf tot zesentwintig graden; bij een vogel die recht van voren of van achteren wordt bekeken is die knik onmiskenbaar, van opzij vaak niet te zien. Volwassen vogels dragen een smalle zwarte band over de borst, bij het mannetje in de broedtijd breder en met daarbij een zwarte balk boven het witte voorhoofd; buiten de broedtijd en bij jonge vogels is de band smal en vaag. In de vlucht valt een fijne witte vleugelstreep op tegen de lichtgrijze bovenvleugel.
Verwarringssoorten
De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) is de soort waarmee hij op de rivierbedding en op het wad dooreen loopt: die is bruin in plaats van blauwgrijs van boven, heeft een korte rechte snavel en olijfgele poten, en draagt in broedkleed twee banden in plaats van één. De rosse plevier (Anarhynchus obscurus) is fors groter en zwaarder van snavel, met grijze poten en een rossige onderzijde. De kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus) en de woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) zijn bruiner van boven, hebben een gewone rechte snavel en missen de gesloten band. De drieteenstrandloper (Calidris alba) is even bleek en deelt de zandplaten, maar heeft een korte rechte snavel, geen borstband en het karakteristieke rennen langs de branding. De terekruiter (Xenus cinereus) heeft eveneens een gebogen snavel, maar die kromt naar boven en niet opzij, en de poten zijn feloranjegeel. Uit het andere subgroepje: de nieuw-zeelandse plevier (Thinornis novaeseelandiae) heeft een zwart masker en een oranje snavel en is hier niet mee te verwarren.
Leefgebied
In de broedtijd de kale, brede grindbeddingen van vlechtende rivieren, waar hij tussen de ronde keien loopt en zijn scheve snavel onder de stenen door zwiept om haftelarven te pakken. Buiten de broedtijd de zachte slikplaten van ondiepe estuaria en havens, waar hij met dezelfde snavel zijwaarts door de bovenlaag maait. Hij vraagt in beide gevallen om open, vlakke bodem zonder begroeiing en om rust bij hoogwater.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt uitsluitend op de vlechtende rivieren van het Zuidereiland ten oosten van de hoofdketen, met het zwaartepunt in Canterbury: de Waimakariri, Rakaia, Rangitata, Ashley en Waitaki, en de rivieren van het Mackenziebekken zoals de Tekapo en de Ohau. Vanaf december en januari trekt vrijwel de hele populatie noordwaarts naar het Noordereiland, waar zij de Australische winter doorbrengt op een klein aantal estuaria: de Firth of Thames en Manukau Harbour houden het grootste deel, met kleinere aantallen in Kaipara Harbour en Tauranga Harbour. In juli en augustus gaat het weer zuidwaarts. Naar Australië komt de soort niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de Nieuw-Zeelandse winter bij opkomend tij naar een hoogwatervluchtplaats aan de Firth of Thames: daar staan dan duizenden scheefsnavelplevieren in één dichte, lichte massa die bij het opvliegen als een rookwolk draait. Wil je de snavel zien, zoek dan een foeragerende vogel en wacht tot hij recht naar je toe of van je af loopt — van opzij lijkt de snavel gewoon recht. Op een grindrivier in oktober blijf je op het pad of op de oever: het nest ligt als een kuiltje tussen de keien en is letterlijk niet te zien.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), met een populatie van ongeveer vijfduizend tot vijfenvijftighonderd vogels; in Nieuw-Zeeland staat de soort te boek als toenemend, maar de aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar. De druk zit vrijwel volledig op de broedrivieren: ingevoerde roofdieren — verwilderde katten, hermelijnen, fretten, ratten en egels — halen legsels en kuikens weg, terwijl kelpmeeuwen en bruine kiekendieven door menselijk landgebruik veel talrijker zijn geworden dan van nature. Daarbij groeien de grindbanken dicht met lupine, wilg en brem, zodat de open bedding verdwijnt, en veranderen waterkracht en onttrekking het hoogwaterregime waarvan de rivier zijn kaalheid krijgt. Voertuigen en jetboten op de bedding en zomerse stormvloeden doen de rest.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus frontalis | Quoy & Gaimard, 1832
Quoy en Gaimard beschreven de soort in 1832 in het zoölogische deel van het reisverslag van de Astrolabe als Anarhynchus frontalis, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteurs en jaartal zonder haakjes blijven; ze voerden het geslacht juist voor deze vogel in, en hij is er de typesoort van. Als typelocatie geven zij 'Baie Chouraki' op, de Hauraki Gulf bij Auckland — de soort is dus beschreven naar een overwinteraar en niet naar een vogel op zijn grindrivier. Anarhynchus is gevormd uit het Griekse ana-, 'achterwaarts', en rhunkhos, 'snavel'; frontalis is Latijn voor 'van het voorhoofd', naar de zwarte balk boven het witte voorhoofd van het broedende mannetje. De Māori-naam is ngutu pare, 'scheve snavel'.


