Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Dubbelbandplevier

Dubbelbandplevier | Anarhynchus bicinctus

Double-banded Plover | Chorlitejo bicinchado

De dubbelbandplevier is de enige plevier van dit gebied die in broedkleed twee banden over de borst draagt: een dunne zwarte hoog op de hals en daaronder een brede kastanjebruine. Hij broedt uitsluitend in Nieuw-Zeeland, vooral op de grindbeddingen van de vlechtende rivieren van het Zuidereiland, en steekt daarna in grote aantallen de Tasmanzee over om in Australië te overwinteren — een trekrichting die dwars staat op die van vrijwel alle andere steltlopers hier.

Dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus)
Foto: Stewart Nimmo — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een kort, hoog en staccato pit, soms twee keer snel achter elkaar maar vaker als losse noot met tussenpozen tot een halve minuut; een stilstaande vogel geeft bij elke roep een klein rukje met kop en lijf omhoog, alsof hij de hik heeft. Een groep op het wad babbelt met een aanhoudend, ijl gekwetter dat over het slik draagt. In het territorium klinkt een nadrukkelijk tsjie-arie-arie, waarbij het mannetje zijn borstveren opzet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een compacte, rechtop staande plevier van twintig centimeter en zestig gram, effen grijsbruin van boven en wit van onderen, met een korte, rechte zwarte snavel en betrekkelijk lange poten die olijfgroen tot geelgroen zijn — die pootkleur is in elk kleed het bruikbaarste kenmerk. In broedkleed heeft het mannetje een wit voorhoofd, een donker masker, een smalle zwarte band laag op de hals en daaronder een brede kastanjebruine borstband; het vrouwtje heeft dezelfde tekening maar doffer en smaller. In winterkleed verdwijnen beide banden vrijwel geheel en blijft een vaalgrijze waas opzij van de borst over. Jonge vogels missen de banden helemaal en zijn schubbig getekend. In de vlucht valt een smalle witte vleugelstreep op, met witte buitenste staartveren en lange, spitse vleugels.

Verwarrings­soorten

In broedkleed is er geen twijfel mogelijk: geen andere plevier in Australië of Nieuw-Zeeland heeft twee borstbanden. In winterkleed begint het werk. De kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus) en de woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) zijn de echte valkuilen: beide hebben grijze tot grijsgroene of grijszwarte poten in plaats van olijfgeel, een langere en zwaardere snavel, een witter gezicht en een vlakkere, meer voorovergebogen houding, terwijl de dubbelbandplevier hoger en rechter staat en vaak nog een schaduw van de twee banden laat zien. De roodkopplevier (Anarhynchus ruficapillus) is veel kleiner en bleker en heeft zwarte poten. De strandplevier (Anarhynchus alexandrinus) is bleker, heeft een witte halsring in de nek en donkere poten. De scheefsnavelplevier (Anarhynchus frontalis) is effen blauwgrijs van boven met slechts één zwarte band en heeft de naar rechts gebogen snavel. De rosse plevier (Anarhynchus obscurus) is fors groter, zwaarder van snavel en grijspotig. De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) heeft één gesloten zwarte band, oranje poten en een oranje snavelbasis. Buiten dit groepje: de maskerplevier (Thinornis melanops) heeft een rode snavel met zwarte punt, een zwart masker en een zwarte V op de borst, en is niet met deze soort te verwarren.

Leefgebied

In de broedtijd de kale grindbeddingen van vlechtende rivieren, verder stenige rivieroevers, zandige kusten en duinranden, en op enkele plaatsen kort subalpien tussockgrasland en kale hoogvlakten tot ver boven de boomgrens. Buiten de broedtijd is het een vogel van estuaria, wadplaten, zandstranden, spuikommen en afvalwaterterreinen, en van kortgevreten weilanden en geploegde akkers vlak bij de kust.

Verspreiding en trek

Broedt over vrijwel heel Nieuw-Zeeland, met de grootste aantallen op de vlechtende rivieren van Marlborough, Canterbury, Otago en Southland, daarnaast op de grindbeddingen van Hawke's Bay, de Manawatū-vlakte en de Wairarapa, in het hoogland rond Tongariro, op de Chathameilanden en, met een eigen ondersoort, op de Aucklandeilanden. Vanaf januari trekt een groot deel van de hooglandvogels in oost-westrichting de Tasmanzee over — een reis van zestienhonderd kilometer of meer — naar Tasmanië, Victoria, Zuid-Australië en de kust van Nieuw-Zuid-Wales, waar ze van februari tot juli of augustus blijven. Op Norfolkeiland is de soort een regelmatige doortrekker. De terugtrek naar de broedgronden loopt van juni tot september; kustbroeders in Nieuw-Zeeland blijven vaak het hele jaar in eigen land.

  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in Australië in de zuidelijke winter: van maart tot juli staat hij op estuaria waar de Siberische trekkers net vertrokken zijn, en juist dan valt een plevier met twee vage banden meteen op. Kijk altijd eerst naar de poten — olijfgroen tot geelgroen sluit de woestijnplevieren in één blik uit. In Nieuw-Zeeland loop je in oktober en november een grindrivier af en zoek je naar een vogel die een stukje wegrent en dan stilstaat: het nest ligt als een kuiltje tussen de kiezels en is onzichtbaar, dus blijf op de gebaande paden.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de wereldlijst, met een populatie van ongeveer vijftigduizend vogels die afneemt; in Nieuw-Zeeland zelf geldt de soort als 'in afname'. De verliezen zitten vrijwel geheel op de broedgronden: ingevoerde roofdieren — verwilderde katten, hermelijnen en fretten, ratten en egels — halen eieren en kuikens weg, en de vogel heeft daar geen verdediging tegen, want zijn schutkleur en afleidingsvertoon zijn op inheemse roofvogels berekend. Daarbij groeien de vlechtende rivieren dicht met lupine, wilg en brem, waardoor de kale grindbanken verdwijnen, en veranderen waterkrachtwerken en onttrekking het rivierregime. Op de kust spelen verstoring van broedende vogels door strandverkeer en loslopende honden een rol.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus bicinctus | (Jardine & Selby, 1827)

Jardine en Selby beschreven de soort in 1827 in hun Illustrations of Ornithology als Charadrius bicinctus; omdat AviList haar nu in Anarhynchus plaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Als typelocatie geldt Nieuw-Holland, nader bepaald als Nieuw-Zuid-Wales — de soort is dus beschreven naar een overwinteraar in Australië en niet naar een vogel uit Nieuw-Zeeland, waar ze als enige broedt. bicinctus is Latijn voor 'tweemaal omgord', naar de twee borstbanden, en dat beeld zit ook in de Nederlandse en de Spaanse naam. De Māori-naam is pohowera.