Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Strandplevier

Strandplevier | Anarhynchus alexandrinus

Kentish Plover | Chorlitejo patinegro

De strandplevier is de bleke, kortpotige ringplevier van de zoutige kust die over heel Eurazië en Afrika broedt, maar in dit kaartvenster alleen als dwaalgast opduikt. Hij valt op door wat hij níét heeft: de donkere borstband is altijd onderbroken, zodat er aan weerszijden van de witte borst een los vlekje overblijft.

Strandplevier (Anarhynchus alexandrinus)
Foto: Original: Davidvraju , edit: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is het alarm, een kort en rollend kit-up dat zowel van de grond als in de vlucht klinkt. Daarnaast een zacht, hoog pit als contactroep en bij onrust een snel herhaald geratel. Een dwaalgast hier zwijgt meestal en wordt op het beeld en niet op het geluid gevonden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, bleke plevier van vijftien tot achttien centimeter, lichter zandkleurig van boven dan de meeste verwanten en helderwit van onderen, met een fijne, geheel zwarte snavel en donker grijszwarte poten. Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte voorhoofdsbalk, een zwart oorvlek en een roestrode achterkruin; het vrouwtje heeft die tekening in bruin. Beslissend in elk kleed is de borstband: die is altijd onderbroken en blijft als twee donkere zijvlekken staan. In de vlucht is er een duidelijke witte vleugelstreep en vallen de witte zijkanten van de staart op.

Verwarrings­soorten

De roodkopplevier (Anarhynchus ruficapillus) is hier de grote valkuil, want beide werden lange tijd als één soort gezien: bij de roodkopplevier loopt het roestrood over de hele kruin door tot in de nek en is er een zwarte streep door het oog, terwijl bij de strandplevier alleen de achterkruin roestig is en het voorhoofd een zwarte balk draagt. De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) is groter, donkerder bruin en heeft in broedkleed twee volledige banden. De kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus) is forser, met langere, donkergrijze poten en een zwaardere snavel. Ook de bontbekplevier (Charadrius hiaticula) en de amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus) zijn hier zeldzaam, maar die hebben oranje poten, een oranje snavelbasis en een gesloten borstband.

Leefgebied

Vlakke, zilte kusten: zandstrand, de kale randen van zoutpannen en zoutwinningsbekkens, brakke lagunes en de hogere delen van estuaria, en in het binnenland de oevers van alkalische meren. Hij mijdt dichte begroeiing en foerageert op het droge, korrelige deel van de plaat, met de typische plevierenmanier van rennen, stilstaan en pikken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster van deze gids is de strandplevier geen jaarlijkse gast maar een dwaalgast, met slechts enkele gevallen, vrijwel alle aan de noordwestkust van Australië; zijn normale overwinteringsgebied ligt in Zuid- en Zuidoost-Azië, waar de trek gewoonlijk stopt. Elke melding in Australië of Nieuw-Zeeland vraagt daarom om harde documentatie, want de talrijke roodkopplevier levert hier veel verkeerde meldingen op.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in het noordwesten tussen de groepjes roodkopplevieren op zoutpannen en zoutwinningsbekkens, en let bij elke bleke kleine plevier eerst op de kruin: loopt het roestrood door tot in de nek, dan is het een roodkopplevier. Fotografeer de kop van opzij en van voren, want zonder beeld wordt een geval hier niet aanvaard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), dankzij een zeer groot verspreidingsgebied over Europa, Azië en Afrika, maar met een wereldwijd dalende trend; in Groot-Brittannië broedt hij sinds 1979 niet meer. De druk komt van recreatie op broedstranden, kustbebouwing en het droogvallen of juist ontginnen van zoutmeren. Voor dit gebied heeft de soort geen eigen beschermingsopgave: hij is hier alleen een toevallige gast.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus alexandrinus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius alexandrinus; door de plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. alexandrinus verwijst naar Alexandrië: Linnaeus baseerde zich op een beschrijving van een Egyptische vogel door zijn leerling Fredrik Hasselquist, en Egypte is dan ook de typelocatie. De Engelse naam Kentish Plover gaat terug op exemplaren die John Latham omstreeks 1801 bij Sandwich in Kent verzamelde. Het geslacht Anarhynchus werd in 1830 ingevoerd door Quoy en Gaimard, van het Griekse ana, 'terug', en rhunkhos, 'snavel'.